Amerika vraagt zich af waarvoor zijn Irak-gangers zijn gestorven

Nu Al-Qaeda weer opkomt in Irak, komt het trauma van de ‘zinloze oorlog’ boven.

Een tijdelijk eerbetoon aan de Amerikaanse soldaten die zijn gesneuveld in Irak, in Santa Monica. Bijna 4.500 militairen kwamen tijdens de oorlog om. Foto Reuters

‘Help me even’, schrijft journalist en Irak-veteraan Paul Szorga op de website Business Insider, ‘waarom zijn mijn vrienden ook alweer omgekomen in Irak?’ Szorga, een voormalige infanterist, haalt herinneringen op aan de jonge mannen in zijn eenheid die niet levend terugkeerden uit Falluja, de Iraakse stad waar Amerika jarenlang vocht tegen sunnitische opstandelingen. Die oorlog, zegt Szorga, is „zinloos” gebleken. „Falluja is gevallen. En hetzelfde dreigt te gebeuren in de nog grotere stad Ramadi. De enige reden dat mijn vrienden stierven, was vanwege de mannen of vrouwen om hen heen. Ze deden het voor hun kameraden. Ik kan daar niet mee in het reine komen.”

Falluja, een Iraakse stad van nog geen 300.000 inwoners, is misschien wel het grootste trauma van Amerika’s afgelopen oorlogsjaren. Tussen 2003 en 2006 vocht het Amerikaanse leger een bloedige stadsoorlog tegen sunnitische rebellen en extremisten. De militair superieure Amerikanen konden weinig uitrichten tegen de guerilla-tactieken van hun tegenstanders. Van de bijna 4.500 Amerikaanse doden in Irak stierf één op de drie in Anbar, de provincie waar Falluja deel van uitmaakt.

Nu Falluja dit weekend voor een groot deel in handen is gevallen van de Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIS), een aan Al-Qaeda gelieerde groep, wordt het Amerikaanse trauma opnieuw beleefd, door zowel veteranen als politici. Republikeinen als John McCain en Lindsey Graham roepen Obama op de strijd met ISIS aan te gaan. Al is het alleen al om recht te doen aan de Amerikanen die vochten of hun leven verloren in Falluja, schrijven de senatoren.

De oorlog tegen terrorisme, de oorlog die president Barack Obama erfde van zijn voorganger, verplicht de Amerikanen bijna tot actie. Aan de andere kant: de regering-Obama zit niet te wachten op een nieuw militair avontuur in het Midden-Oosten. Minister van Buitenlandse Zaken John Kerry houdt zich daarom dezer dagen op de vlakte. „Deze strijd is voor de Irakezen”, zei hij dit weekend. „Dit hebben we afgesproken toen we Irak verlieten [in 2011]. Daarom overwegen we nu geen terugkeer naar Irak.”

Het is de tweede keer dat ISIS de Amerikaanse belangen in het Midden-Oosten dwarsboomt. ISIS won vorig jaar aan kracht in Syrië, en werd een van de prominentste rebellenbewegingen. De Amerikaanse regering stond in de zomer op het punt de rebellen op veel grotere schaal te gaan steunen in hun strijd tegen president Bashar al-Assad. Maar de dominantie van een Al-Qaeda-tak maakte die keuze onmogelijk. Tot woede van het Vrije Syrische Leger, dat op Amerikaanse steun gerekend had, krabbelde Obama uiteindelijk terug.

Obama staat voor min of meer hetzelfde dilemma als zijn voorganger George W. Bush in 2004. Ook toen schoot Al-Qaeda wortel in Irak, met name in de sunnitische gebieden in Anbar. In maart 2004 werden in Falluja vier Amerikaanse medewerkers van het veiligheidsbedrijf Blackwater vermoord. Hun lijken werden aan een brug over de Eufraat gehangen. Bush gaf zijn gezant in Bagdad, Paul Bremer III, opdracht de opstandelingen met militaire overmacht te verjagen. „Kom maar op”, zei Bush.

Hierop lanceerde Bush twee grote militaire offensieven tegen de stad. Vooral de tweede aanval, in november 2004, maakte de stad grotendeels met de grond gelijk. Er kwamen circa 1.500 vermeende strijders om het leven en wellicht meer dan duizend burgers. Hierop keerde de rust niet terug. De aanhoudende oorlog werd door het Amerikaanse leger verdedigd met de metafoor van het vliegenpapier. Al-Qaeda zou nieuwe rekruten steeds naar Falluja sturen, die daar het gevecht met de Amerikanen aangingen. Op die manier blijft het rustig in andere delen van de wereld, zei toenmalig commandant Ricardo Sanchez.

De Amerikanen trokken hun leger eind 2011 terug uit Irak. Dat was niet zozeer omdat de klus geklaard was, of omdat Obama de strijd niet wilde voortzetten, maar omdat de VS en Irak geen overeenstemming konden bereiken over de juridische status van de Amerikaanse soldaten. Obama wilde dat ze immuniteit kregen tegen vervolging, de Iraakse regering weigerde dat. Na de terugtrekking, volgens veel Republikeinen én Democraten overhaast, gaven de Amerikanen de verantwoordelijkheid voor de oorlog tegen terreur in Irak in handen van de Iraakse regering. Sindsdien is de veiligheid van Irak formeel een taak van de Iraakse premier al-Maliki. De Amerikaanse regering belooft nu het Iraakse leger te steunen in de strijd tegen ISIS, al is dat leger volgens minister Kerry goed uitgerust om ISIS te verjagen uit Anbar. „Aan manschappen hebben ze zeker geen gebrek.” Nu grote delen van Irak zonder veel moeite in handen zijn gevallen van ISIS, wordt duidelijk hoe wankel het gezag in Irak is.