Wil je die 640 euro krijgen? Aan de slag!

Het kabinet wil gemeenten dit jaar verplichten om bijstandgerechtigden een ‘nuttige tegenprestatie’ te laten leveren // Er zijn gemeentes die dat al doen // Vaak om burgers te ontmoedigen in de bijstand te gaan

Verslaggever

Amstelveen, drie winters geleden. Er lag sneeuw. Zo veel sneeuw, dat er een tekort aan mankracht was om de gladheid te bestrijden. En dus bedacht VVD-wethouder Herbert Raat een ludieke actie. Hij trommelde negen bijstandsgerechtigden op om sneeuw te ruimen. Konden ze mooi iets terugdoen voor de maatschappij. Drie kwamen er opdagen. Jonge vrouwen waren het. Ze trokken een oranje hesje aan, pakten een sneeuwschop, en maakten een paar gladde straten en bruggen weer begaanbaar. „Het werd een heel leuke dag”, zegt Raat, „en de vrouwen hebben keihard gewerkt”.

Tot tevredenheid van wethouder Raat vindt zijn ludieke plan navolging in heel Nederland. Niet voor een handvol bijstandsgerechtigden, maar voor alle 400.000. Het kabinet wil hen vanaf juli verplichten om – naast hun verplichte reïntegratietraject gericht op terugkeer naar de arbeidsmarkt – een ‘maatschappelijk nuttige tegenprestatie’ te laten verrichten. Als ruildienst voor het ontvangen van een bijstandsuitkering. Het principe van de wederkerigheid – voor wat hoort wat – sluit beter aan bij ‘een meer participerende samenleving’, schrijft het kabinet in de toelichting bij het wetsvoorstel, dat wacht op behandeling in de Tweede Kamer.

De verplichte tegenprestatie is niet nieuw: al sinds 2012 mogen gemeenten de maatregel aan bijstandsgerechtigden opleggen. Maar vanaf juli zijn gemeenten verplicht om dat te doen. Bijstandgerechtigden zullen moeten meedraaien in de stadsreiniging, in de plantsoenendienst, in buurtcentra, in de vuilophaal. Weigeren zij dienst, dan legt de gemeente hun een sanctie op, zoals het tijdelijk stopzetten van de bijstandsuitkering (640 euro per maand voor een alleenstaande, 1.286 euro voor een samenwonend stel).

Grofvuil in de bakfiets

Alex Corra, onderzoeker aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, noemt het plan „riskant”. „Het draait niet om de reïntegratie van bijstandsgerechtigden, maar om het tonen aan de buitenwereld dat zij iets terugdoen.” Pakt een gemeente de uitvoering van zo’n tegenprestatie te voortvarend aan, dan valt volgens Corra het verschil met een taakstraf weg. „Ik ken een gemeente die een man in de bijstand grofvuil liet ophalen met een bakfiets. Zijn kinderen werden op school gepest omdat hun klasgenoten dachten dat hij een taakstraf aan het uitvoeren was.” Het plan heeft twee gezichten, zegt Corra: „Dwang kan uitkeringsgerechtigden stimuleren om hun beperkingen te overwinnen. Maar is de gemeente te dwingend – ‘hier, een bezem’ – dan lijkt het meer op een straf voor een toch al kwetsbare groep in onze samenleving.” De Volkskrant berichtte onlangs over Amsterdamse bijstandsgerechtigden die dossierpagina’s moesten tellen, of nietjes uit paperassen moesten halen – soms een half jaar of negen maanden lang. Sommigen van hen repten over een „strafexercitie”.

De verplichte tegenprestatie komt bovenop het reïntegratietraject dat bijstandsgerechtigden nu al moeten doorlopen, en dat begint met het zogenoemde ‘Work First’. Dit is sobere arbeid voor twee of drie maanden, te verrichten meteen na het belanden in de bijstand. Dozen vouwen, kruiden inpakken, parkbankjes in elkaar schroeven. Zo kan de gemeente ‘diagnosticeren’ wat het ‘arbeidsvermogen’ van bijstandsgerechtigden is: of zij op tijd komen, of ze kunnen omgaan met gezag, of ze het werk doen zoals het moet. Work First is ook bedoeld om burgers af te schrikken, hen te weren uit de dure bijstand. Ook daarom is het arbeidsregime van Work First sober en streng.

Volgens Corra bestaat er een groot gevaar: dat gemeenten straks dat sobere Work First-regime loslaten op de verplichte tegenprestatie. „De strengheid van Work First is te verdedigen. Er zit een diagnostisch doel achter, en Work First duurt maar twee of drie maanden. Maar hoelang duurt straks de tegenprestatie? Het wetsvoorstel is daar onduidelijk over.” Het gevaar bestaat dat mensen vanaf juli oeverloos saaie klusjes moeten uitvoeren. Corra: „Ik vermoed dat dat nu gaande is bij die Amsterdamse bijstandsgerechtigden.” Bijna de helft van de gemeenten die de tegenprestatie na 2012 al zijn gaan opleggen, houdt een gemiddelde duur voor de tegenprestatie aan van meer dan een half jaar, blijkt uit recent onderzoek van de Inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ook gebruiken de meeste gemeenten de tegenprestatie om burgers te ontmoedigen de bijstand in te gaan. Dat is opvallend, want ‘afschrikken’ noemt het kabinet niet als doel van de verplichte tegenprestatie.

Revanchepraktijken

Gijsbert Vonk, hoogleraar sociale zekerheidsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen, zegt dat het wetsvoorstel zich vooral uitlaat over de plichten van mensen in de bijstand, niet over hun rechten. „Het kabinet stelt geen maximum aan de duur van de tegenprestatie. En ook over het recht om het verrichten van de tegenprestatie te weigeren, is het kabinet vaag. Wat als de bijstandsgerechtigde het werk te vernederend vindt? Wat als de tegenprestatie indruist tegen zijn geloofsovertuiging? Het kabinet is hier vaag over.” Volgens Vonk zet het kabinetsplan de deur „wagenwijd” open voor „revanchepraktijken”. „Zo van: die bijstandstrekkers moeten maar eens voelen dat ze leven van belastingcenten.”

Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ontbreekt het gemeenten aan „menskracht” om de maatschappelijke tegenprestaties te organiseren, en om er goed op te handhaven. Ook FNV is kritisch over het wetsvoorstel, net als Divosa – de vereniging van gemeentelijke managers op het terrein van participatie en werk.

De Amstelveense wethouder Herbert Raat juicht het kabinetsplan juist toe. „Het werd de hoogste tijd. Als je geld krijgt van de samenleving, is het niet meer dan normaal dat je iets terugdoet.” Raat ziet de kritiek op de maatregel als een „pavlovreactie”. Hij vindt: zelfs als de tegenprestatie een geestdodende klus lijkt, dan nog overheerst de positieve kant van werk. „Het hebben van collega’s, bijvoorbeeld. Dat praatje bij de koffieautomaat, dat is zo belangrijk.”