Tot altijd, Eusébio

De president van Portugal wilde zijn voetballegende niet kwijt: „Tot altijd, Eusébio!” was zijn dubbelzinnige afscheidsgroet.

Sluit de ogen.

Denk aan voetbalvelden met graspollen en houten doelpalen, met ballen van leer en cornervlaggen van katoen, shirts zonder reclame. Denk aan Eusébio, de man uit Mozambique, hondstrouw aan zijn club Benfica. En denk vooral aan zijn rechterbeen.

Het rechterbeen van Eusébio. Wat wil een voetballer nog meer?

De Zwarte Parel – kom nog maar eens om zo’n bijnaam tegenwoordig – is dood. Drie dagen rouw zijn afgekondigd in Portugal.

Ik wil Eusébio ook nog niet kwijt.

In mijn jeugd ben ik hem vast een paar keer geweest, op het trapveldje. Dode helden markeren de tijd. Zij die de Portugese aanvaller nog zagen voetballen weten: we worden oud.

Nog steeds de ogen dicht?

Zijn rode shirt is donkergrijs op de zwart-wit beelden. Eusébio is aan de bal. Hij begint aan een rush op het middenveld. De bal blijft dicht bij zijn rechtervoet. Hij geeft kleine tikjes. Op volle snelheid. Een schijnbeweging, twee tegenstanders stinken erin.

Eusébio schiet, loepzuiver. Zijn zoveelste doelpunt.

Hij had niet het atletisch vermogen van Pelé. Althans, Eusébio oogde niet zo snel als hij in werkelijkheid was. Hij liep een beetje voorover. Kluiten schoten onder zijn zolen vandaan. Allemaal schijn. Je had een schopper nodig als de tandeloze Nobby Stiles om hem af te stoppen.

Waar Cruijff bij een solo zweefde, bleef Eusébio op aarde.

Zijn traptechniek was fenomenaal. De bal op de juiste plek raken, ook als hij op hoge snelheid sprintte. Bij het terugzien van zoveel doelpunten, viel me nog iets op. Als Eusébio met rechts geschoten heeft, zwiept de rest van zijn lijf mee en komt zijn linkerbeen heel even los van de grond.

Knipogende vrouwen en o zo hartelijke gokbazen hebben hem tot in de duistere hoeken van het leven gebracht. Hij kroop er weer uit en moest sober leven. Waar Pelé als FIFA-trekpop in het pluche plofte, kreeg de oude Eusébio liever een stijve kont op een zitplaats tussen het publiek.

Op de tribune vonden camera’s met regelmaat de karakteristieke kop met kroeshaar.

Ah, daar zat Eusébio; het voetbalgeweten leefde nog. Hij vond dat de commercie het voetbalspel steeds verder in een wurggreep had.

In Lissabon was de clubheld al een tijdje in brons te bewonderen bij de hoofdingang van het Stadion van Het Licht. Eusébio, zich bewust van zijn faam: „Als God op een dag besluit dat het erop zit, dan hoop ik dat mijn begrafenisstoet even stopt voor dat beeld en daarna een ronde maakt in een vol Estadio da Luz.”

Dat moeten ze regelen, de Portugezen. Eusébio zal het waarderen, met gesloten ogen: tot altijd.

Wilfried de Jong is schrijver en programmamaker.