Schiet wat in de lucht, dan nemen ze je serieus

Het regeringsleger van Zuid-Soedan dreigt uiteen te vallen // Altijd al was het een lappendeken van tribale facties vol onderlinge spanning // De machtsstrijd in het land haalt alle oude wonden open

De Zuid-Soedanese stad Malakal town. Regeringsmilitairen zeggen dat ze in de olierijke stad een opstand van rebellen hebben neergeslagen. Foto Reuters

Correspondent Afrika

Drie weken na het begin van de openlijke machtsstrijd tussen president Salva Kiir van Zuid-Soedan en diens voormalige vicepresident Riëk Machar, valt het Zuid-Soedanese regeringsleger SPLA steeds verder uiteen. Dat leger was altijd al een lappendeken, maar nu worden tribale breuklijnen tussen de Dinka, de grootste bevolkingsgroep waartoe ook president Kiir behoort, en de Nuer steeds zichtbaarder.

Zaterdagavond sloegen opnieuw regeringsmilitairen aan het muiten. Vorige maand liepen al honderden Nuer-militairen over naar de zijde van de vroegere vicepresident Machar. Beide kampen beschikken over geharde militairen en zwaar materieel, waaronder tanks en afweergeschut.

Gistermiddag kwamen delegaties van beide partijen opnieuw in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba bijeen om met elkaar te onderhandelen over een bestand. Enige vooruitgang lijkt tot dusver niet geboekt. Tegelijkertijd verhevigt de strijd in Zuid-Soedan. Meer dan 200.000 mensen zijn op de vlucht geslagen.

IJzeren hand

Het SPLA, het Soedanese Volksbevrijdingsleger, is een overblijfsel van de guerrillabeweging die in de jaren 80 de strijd aanbond met het centrale gezag in de Soedanese hoofdstad Khartoem. De rebellengroep werd met ijzeren hand bestuurd door SPLA-leider John Garang, tot die in 2005 omkwam bij een helikopterongeluk.

Zijn opvolger Salva Kiir, de huidige president, voerde een veel zachter beleid en liet bijvoorbeeld gewapende milities toe tot het leger. Die wilden integreren, als de prijs maar goed genoeg was – hoewel velen daarna weer deserteerden.

De voormalige verzetsbeweging lijdt nu aan een gebrek aan eenheid en een geschoold kader. Nu de spanningen tot het kookpunt oplopen, valt het leger steeds meer uiteen. Twee belangrijke commandanten, van de steden Bor en Bentiu, sloten zich aan bij dissident Machar. Beide steden vielen zo in handen van de dissidenten.

Zonder wapens speel je niet mee

Politiek is hier altijd bedreven met het geweer. Toen er in 2005 een einde kwam aan de burgeroorlog, kwamen commandanten ieder met eigen groepjes lijfwachten van hun stam naar hoofdstad Juba. Zo ontstonden tribale eilandjes binnen het leger. Zonder wapens speelde je niet mee.

Een uit Amerika teruggekeerde balling – een dominee – vroeg aan een hoge SPLA-commandant hoe hij een politieke functie kon verkrijgen. Hij kreeg te horen: „Ga terug naar je woongebied, verzamel wat wapens en manschappen, schiet een paar dagen in de lucht en dan nemen we je serieus in Juba.”

President Kiir nam aanvankelijk politici uit alle windrichtingen van Zuid-Soedan op in zijn regering, maar hij werkte niet aan verzoening tussen facties die elkaar tijdens de oorlog hadden bestreden. Zijn toenmalige vicepresident Riëk Machar nam wél het initiatief tot verzoening tussen de tribale groepen. Hij reisde bijvoorbeeld af naar Bor, waar in 1991 het aan hem gelieerde Witte Leger 2.000 burgers van de Dinkastam had afgeslacht. Met tranen in de ogen vroeg hij aan stamoudsten van Dinka’s om vergiffenis en hij ontving van hen kwijtschelding. Riëk leidde een officiële verzoeningscommissie – tot president Kiir hem in juli ontsloeg.

Daarna ontstond een atmosfeer van paranoia en geruchten in Juba. Riëk pleitte voor meer democratie in de regeringspartij en een eerlijke krachtmeting voor het voorzitterschap van de partij. Salva Kiir reageerde door zich steeds meer te omringen door een klein groepje Dinka’s uit zijn regio Bahr el Ghazal, in het noordwesten. De strijd om de macht kreeg zo steeds meer tribale contouren.

Tribale sentimenten

De stamverhoudingen in Zuid-Soedan beperken zich niet tot de frictie tussen de twee grootste stammen, de Dinka en de Nuer. Beide stammen bestaan uit talrijke subgroepen, ieder weer met hun eigen leiders en belangen. Onbehagen over de vermeende dominantie van de Dinka loopt als een rode draad door de bevrijdingsstrijd van 1983 tot 2005.

Na de afsplitsing van Riëk van Garangs SPLA in 1991 woedde er ‘een oorlog binnen een oorlog’ tussen Dinka’s en Nuers. Daarbij vielen meer doden dan gedurende de hele oorlog tegen Noord-Soedan. Ook na Riëks terugkeer kon het SPLA die tribale wonden niet helen. De Nieuwe Soedanese Raad van Kerken organiseerde in 1999 in Wunlit een vredesconferentie die drie maanden moest duren om de twee stammen te verzoenen.

Alle oude wonden worden nu weer opengehaald. Bij afwezigheid van een sterk SPLA- gezag tijdens en na de oorlog bleven stamhoofden een belangrijke rol spelen in besluitvorming en rechtspraak. Zo bleven de tribale sentimenten hoog in een nog zeer archaïsche samenleving. Voor de opbouw van een nieuwe natie kan dat fnuikend zijn, zeker wanneer de militairen annex politici die tegenstellingen blijven aanwakkeren tijdens hun machtsstrijd.