In het tribale Zuid-Soedan vecht iedereen weer tegen iedereen

Met een beetje schieten werd je voor vol aangezien in de hoofdstad.

Een uit de stad Bor gevlucht gezin. Zo’n 85.000 mensen zijn sinds vorige week de Witte Nijl overgestoken naar een geïmproviseerd kamp in Awerial. Foto AP

Drie weken na het ontbranden van de machtsstrijd tussen president Salva Kiir en diens voormalige vicepresident Riëk Machar, valt het Zuid-Soedanese regeringsleger uiteen. Het SPLA is altijd al een lappendeken geweest. Nu worden tribale breuklijnen tussen de Dinka, de grootste bevolkingsgroep waartoe ook president Kiir behoort, en de Nuer steeds zichtbaarder.

Net als bij het begin van de crisis sloegen afgelopen weekeinde regeringssoldaten aan het muiten. Dat gebeurde in de hoofdstad Juba en in de stad Yei, bij de grens met Oeganda. Vorige maand leidde het overlopen van de militaire commandanten van Bor en van Bentiu tot de inname van deze steden door de rebellen. Beide kampen van het in tweeën gesplitste leger beschikken over geharde soldaten en over zwaar materieel, zoals tanks en afweergeschut.

Het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) komt voort uit de guerrillabeweging die in de jaren tachtig de strijd aanbond met het centrale gezag in de Soedanese hoofdstad Khartoem. Het SPLA wordt nu gestraft voor het tekort aan eenheid en het gebrek aan vorming van geschoold kader tijdens de bevrijdingsstrijd tussen 1983 en 2005. De in 2005 bij een helikopterongeluk omgekomen SPLA-leider John Garang regeerde met ijzeren hand over de rebellengroep, en weigerde gesprekken met afvallige groepen.

Garangs opvolger Salva Kiir, de huidige president, voerde een toleranter beleid. Als de prijs maar goed genoeg was, lieten milities zich integreren, hoewel vele strijdgroepen daarna weer deserteerden om zich vervolgens opnieuw in het regeringsleger te voegen.

Politiek is tijdens de oorlog en na de vrede altijd bedreven met het geweer. Vlak na de vrede in 2005 kwamen commandanten ieder met eigen groepjes lijfwachten van hun stam naar de hoofdstad Juba. Zo ontstonden er vele tribale eilandjes in het leger. Zonder wapens speelde je niet mee. Een uit Amerika teruggekeerde balling – een dominee – vroeg aan een hoge SPLA-commandant hoe hij een politieke functie kon verkrijgen. Hij kreeg te horen: „Ga terug naar je woongebied, verzamel wat wapens en manschappen, schiet een paar dagen in de lucht en dan nemen we je serieus in Juba”.

President Salva Kiir nam aanvankelijk politici uit alle windrichtingen van Zuid-Soedan op in zijn regering, maar hij werkte niet aan verzoening tussen facties die elkaar tijdens de oorlog hadden bestreden. Riëk Machar nam wel het initiatief tot verzoening tussen de tribale groepen. Hij reisde bijvoorbeeld af naar Bor, waar in 1991 het aan hem gelieerde Witte Leger van Nuer-strijders tweeduizend burgers van de Dinka-stam had afgeslacht. Met tranen in de ogen vroeg hij aan stamoudsten van Dinka’s om vergiffenis en hij ontving van hen kwijtschelding. Riëk leidde een officiële verzoeningscommissie, tot president Salva Kiir hem in juli vorig jaar ontsloeg.

Na het ontslag van Riëk ging er een atmosfeer van paranoia en geruchten in Juba hangen. Riëk en Rebecca, de weduwe van de vroegere SPLA-leider John Garang, pleitten voor meer democratie in de regeringspartij. Salva Kiir reageerde door zich steeds meer te laten omringen door een klein groepje Dinka’s uit zijn regio Bahr el Ghazal, in het noordwesten.

De stamverhoudingen in Zuid-Soedan betreffen niet simpelweg de frictie tussen de twee grootste stammen. De Dinka bestaat uit 25 subgroepen, ieder met hun eigen leiders en belangen. Hetzelfde geldt voor de Nuer. Onbehagen over de vermeende dominantie van de Dinka – dat niet alleen leeft onder de Nuer, maar ook onder vele minderheidsstammen van de zuidelijke regio Equatoria – loopt als een rode draad door de bevrijdingsstrijd van 1983 tot 2005. Na de afsplitsing van Riëk van Garangs SPLA in 1991 woedde er ‘een oorlog binnen een oorlog’ tussen Dinka’s en Nuers. Daarbij vielen meer doden dan gedurende de hele oorlog tegen de gehate ‘Arabieren’ in Noord-Soedan. .

Al deze oude wonden worden nu weer opengehaald.