Het ultieme tegengif tegen techoptimisme

Eindelijk wordt de hondsbrutale serie Black Mirror ook in Nederland uitgezonden // Het schetst een inktzwart beeld van de invloed van technologie op ons leven // Intussen werd fictie ook werkelijkheid Black Mirror, vanavond 23.05 op Nederland 2 4

Beeld uit Black Mirror.

Verslaggever

Moderne technologie maakt het leven sneller en comfortabeler, maar wordt het er ook beter op? Na een paar afleveringen van Black Mirror, een Britse sciencefictionserie die de VPRO de komende weken uitzendt, ben je geneigd die vraag met een volmondig ‘nee’ te beantwoorden. Want de gadgets en sociale media waarmee we onszelf de laatste jaren zo gretig hebben omringd blijken in de serie de voorbodes van de meest gruwelijke dystopieën: de droom van vooruitgang die Apple, Google en Facebook ons voorspiegelen verandert elke aflevering weer in een existentiële nachtmerrie.

Black Mirror is een hondsbrutale serie die de kijker telkens op het verkeerde been zet. Vanavond aflevering één: de fictieve Britse prinses Susannah wordt ontvoerd en de kidnapper eist dat premier Michael Callow in ruil voor haar vrijlating – hou je vast – live op tv een varken neukt. Een serie die met zo’n premisse begint, wil eigenlijk zeggen: alles is mogelijk, bereid je voor op een wilde rit.

De vorm van de serie versterkt dat achtbaangevoel. Elke aflevering heeft een nieuw verhaal en nieuwe acteurs. De houvast van vertrouwde personages in een vertrouwde omgeving die andere series wel bieden ontbreekt volledig. Anything goes.

De enige verbindende factor tussen de afleveringen – zes verdeeld over twee seizoenen – is het overkoepelende thema: de invloed van technologie op de samenleving. Telkens wordt een moderne ontwikkeling tot in het absurde uitvergroot. Zo blijkt in de eerste aflevering de afweging van de premier om voor het oog van de natie seks te hebben met een varken (en zo ja, hoelang) vooral af te hangen van opiniepeilingen en de stemming op Twitter. Briljante satire, waarmee de makers willen laten zien hoe absurd het is om politieke beslissingen te nemen op basis van (sociale) media.

Welgemikte steen door de ruit

Helaas maakt Nederland nogal laat kennis met Black Mirror, dat eind 2011 in Groot-Brittannië in première ging en sindsdien in tientallen landen is uitgezonden. Dat is jammer, omdat het techpessimisme waar het in de serie om draait na de NSA-onthullingen van Edward Snowden en een boek als The Circle van Dave Eggers niet zo verrassend meer is. In 2011 was Black Mirror een welgemikte steen door de ruiten van techutopisten die internet als oplossing zagen voor alle wereldproblemen. Nu voelt het als de zoveelste stem in het koor van denkers die waarschuwen voor de gevaren van moderne technologie.

Omdat Nederland achter de rest van de wereld aansukkelt blijkt de werkelijkheid de fictie zelfs al hier en daar te hebben ingehaald. Zo gaat een aflevering in het tweede seizoen over de verkiezingsoverwinning van een komiek: toen de aflevering werd uitgezonden moest Beppe Grillo de Italiaanse verkiezingen nog winnen. Ook de derde aflevering van het eerste seizoen bleek voorspellend: die gaat over een apparaat dat alles wat de drager ziet opslaat in makkelijk terug te kijken filmpjes – een paar maanden na de uitzending kondigde Google de Google Glass aan.

Black Mirror heeft een grote schare (cult)fans en won talloze prijzen, waaronder een internationale Emmy voor beste miniserie. De fascinatie is te verklaren doordat de serie de technologie waarmee we ons dagelijks omringen uitvergroot tot spannende what-if-verhalen. Wat als we overleden mensen weer tot leven kunnen wekken op basis van het digitale spoor dat zij hebben achtergelaten? Wat als mensen alleen nog via het beeldscherm van hun smartphones de wereld waarnemen?

Maar het zijn niet alleen de verhalen over griezeltechnologie die Black Mirror zo’n plezier maken om naar te kijken. Het is vooral de gedurfdheid van de schrijvers, hun meedogenloosheid waardoor de serie uitsteekt boven veel van het huidige op tv-aanbod.

Een voorbeeld. Aflevering twee, ‘15 Million Merits’, speelt in een toekomstige wereld waarin mensen de hele dag niets anders doen dan op hometrainers punten verdienen waarmee ze entertainment kunnen kopen. Deze ‘spektakelmaatschappij’, duidelijk gebaseerd op het werk van de Franse filosoof Guy Debord, degradeert alles wat menselijk is, zelfs de liefde, tot handelswaar. De bekende kritiek op het kapitalisme. Lange tijd ontvouwt het verhaal zich dan ook volgens het vertrouwde stramien van een held die tegen de dystopie in opstand komt. Maar dan gebeurt er iets op het eind – ik zal het niet verklappen – dat alles op losse schroeven zet. Ik wil maar zeggen: Black Mirror durft de kijker met een rotgevoel naar bed te sturen. Er is geen verlossing, geen licht aan het einde van de tunnel. Dat maakt de serie zo uniek: elke aflevering zadelt de kijker op met een ongemakkelijk, zo niet diep neergeslagen gevoel.

Black Mirror slaagt daar zo goed in omdat uiteindelijk niet de technologie, maar menselijke emoties centraal staan. De serie laat zien dat we technologie niet alleen ten goede, maar ook altijd ten dienste van de minder sierlijke kanten van onze psyche zullen gebruiken: jaloezie, voyeurisme, hebzucht, machtswellust. En daarmee is Black Mirror niet alleen het ultieme tegengif tegen techoptimisme uit Silicon Valley. Het is ook een wijze les over de menselijke natuur.