De Polen komen tóch, dan liever netjes in een hotel

In Rotterdam ging zaterdag het eerste Polenhotel open. Goed idee? Of lokken „de gespreide bedjes” juist meer Polen?

Magdalena Szerszynska mist twee dingen uit Polen: de worst en haar moeder. Ze wil niet onvriendelijk klinken „maar de Nederlandse vleeswaren zijn nogal, eh, smakeloos”. En haar moeder, tja, daar is er maar een van.

Szerszynska (29) werkt in het ‘Polenhotel’ op Rotterdam-Zuid. Het werd zaterdag feestelijk geopend met speeches van een van de eigenaren en van wethouder voor wonen en stedelijke economie Hamit Karakus (PvdA). En met champagne.

Het is het eerste Polenhotel in Rotterdam. Het staat midden in Vreewijk, want dat is goed voor de integratie, vindt Karakus. Hij wil arbeidsmigranten niet op industrieterreinen onderbrengen. Het hotel biedt ruimte aan 280 gasten. Er komen meer van dergelijke hotels, Karakus wil totaal 2.000 plekken in Rotterdam realiseren. Dat ligt gevoelig. Met de gemeenteraadsverkiezingen in het vooruitzicht loopt hij een risico. Hij weet het.

In Rotterdam woedt een heftige discussie rond de komst van de Oost-Europeanen, zeker nu de grenzen ook open zijn voor Bulgaren en Roemenen. Tegenstanders vrezen overlast en criminaliteit. Ze wijzen op de overbewoning die nu al voorkomt, of uitbuiting. Bovendien pikken ze de banen van Nederlanders in. Karakus zegt in zijn speech: „We moeten niet inspelen op onderbuikgevoelens. Het gaat om een kwetsbare groep mensen die zich niet kan verdedigen.”

Karakus redeneert: werkzoekenden uit Oost-Europa, ze komen toch. Hier verdienen ze vele malen meer dan daar. Je moet de problemen voorkomen. In het hotel heb je zicht op de bewoners: er wonen alleen mensen die zijn ingeschreven bij de gemeente en werk hebben via uitzendorganisatie Tempo-Team. Mensen die overlast veroorzaken, zijn niet meer welkom.

Tempo-Team is blij met de Polen, zegt een woordvoerder. Ze werken vooral in de logistiek (orderpicking), in food (etenswaren inladen uit vriescellen) en in fabrieken (assemblage). De meesten werken hard en als ze gebeld worden, zeggen ze nooit ‘nee’.

Magdalena Szerszynska is samen met haar vriend beheerder in het hotel. Ze werkt al negen jaar in Nederland en spreekt de taal goed. Zij zal vraagbaak en steunpilaar zijn voor nieuwe bewoners. Ze zal bewoners de weg wijzen – vooral waarschijnlijk naar de Poolse supermarkt vlakbij. „Dat is zo’n geluk”, zegt ze. „Ze hebben vele soorten Poolse worst, maar veel meer. Alles eigenlijk. Ook vers Pools brood, van die grote bollen met uitjes en kruiden.”

Ze heeft het druk, want zaterdag kwamen de eerste honderd bewoners en gisteren weer zo’n honderd. Hoe lang ze blijven, hangt af van hun plannen en of er werk voor hen is.

Het hotel, een voormalig opvanghuis voor asielzoekers, is opgeknapt en ziet er piekfijn uit. Een van de twee eigenaren leidt geïnteresseerden enthousiast rond. Kleine maar keurige kamers, twee losse bedden, tafeltje en eigen badkamer. Per week betalen de bewoners maximaal 75 euro. Beneden is een gemeenschappelijke keuken – splinternieuwe pannen staan op de fornuizen en er is een uitgebreide fitnesshal. In de gemeenschappelijk ruimte staat een breedbeeldtelevisie, op een Poolse zender.

Dat sterkt Leefbaar Rotterdam-raadslid Maarten Struyvenberg in zijn opvatting dat het Polenhotel bijdraagt aan segregatie in plaats van aan integratie. Hij is ook komen kijken. Het ziet er netjes uit, vindt hij. Maar hij vindt de vertroeteling van de Oost-Europeanen overdreven en ongewenst. De gespreide bedjes lokken alleen maar meer mensen naar Rotterdam. „Mijn en jouw kinderen moeten zelf woonruimte zoeken. Ik zie niet in waarom deze mensen dat niet hoeven. Overlast? Handhaven dan. Voor iedereen gelden dezelfde regels. Dat heeft niets met onderbuikgevoel te maken.”

Op straat in Vreewijk zijn de meningen verdeeld. „Het hotel mag afbranden”, roept een opstandige heer met twee hondjes. Mevrouw van der Linden is genuanceerder. Zij werkt als vrijwilliger in het wijkcentrum en kent de vrees van de buurtbewoners. „Dat ze op straat alcohol gaan drinken.” Maar, zegt ze, „we wachten het eerst eens af. We gaan niet bij voorbaat roepen dat het niet goed is.”