Column

Buurtplicht

In het dorp Beltrum, in de Achterhoek, stapte Leo Grootzevert in mijn auto: directeur van een transportbedrijf en plichtsgetrouw vrijwilliger. Vond dat hij een cursus ‘neurolinguïstisch programmeren’ nodig had om nee te leren zeggen.

Dit vertelde Leo binnen vijf minuten na onze ontmoeting, met een Achterhoeks accent, waardoor ik hem eerst niet begreep.

„En El Pee”, lachte hij. „Neu-ro-ling-guïs-tisch programmeer’n.”

Leo Grootzevert was gisteren desondanks opnieuw vrijwilliger: rayonhoofd van de jaarlijkse Beltrumse Survival Run. In felgeel vest gidste hij me naar de sporters op het parcours buiten het dorp: 25 kilometer door maisvelden en sloten, klauterend over ruim 60 hindernissen van boomstammen, modder en touw. Twaalfhonderd startbewijzen waren in vier dagen uitverkocht aan mannen en vrouwen die uit heel Nederland naar Beltrum komen, omdat deze loop als de zwaarste bekend staat. Het was de vijfentwintigste keer. Onder de deelnemers waren intussen veel ‘projectmanagers’, ‘verkoopleiders’, ‘verandercoaches’ en andere mensen met banen die moeilijk zijn uit te leggen. Bij de start riepen ze dingen als „We gaan het meemaken!” Dolgelukkig bij het vooruitzicht uren in kletsnatte kleding door de modder te kunnen strompelen. Na afloop mochten ze in onderbroek in grote plastic tobbes, die in een tent waren volgegoten met dampend heet water en Biotex. Bier of champagne erbij, glunderend als kinderen.

Beltrum, vlakbij Groenlo, heeft 1.500 inwoners in het dorp en nog zo’n 1.500 in het buitengebied. Ruim 500 zijn vrijwilliger in de Survival Run. Twee tot drie maanden bouwen ze aan de obstakels. In Beltrum klinkt een woord als ‘participatiesamenleving’ als wat het is: Randstedelijke aanstellerij. Hier spreken ze nog gewoon over buurtplicht. Buurtplicht betekent dat je helpt als er iemand overlijdt, de boel versiert als iemand 50 jaar getrouwd is, dat je bijdraagt wat het dorp nodig heeft. Wie weigert, zei Leo Grootzevert, werd van oudsher met de nek aangekeken op de kermis: daar heb je die familie die niets voor een ander doet. Beltrum heeft vier zangkoren en veertig verenigingen. De touwtrekvereniging ging vandaag de laatste deelnemers uit de sloot vissen.

We stapten uit bij een brug waar de survivallers drijfnat via boomstammen onderdoor moesten. Bovenop stond muziekvereniging ‘Valse Loch’ de moed erin te blazen. Er ging een fles Jägermeister rond, en dat was het wel. Geen kermis, weinig toeschouwers, precies goed. Op zijn cursus neurolinguïstisch programmeren, zei Leo, keken ze hem wel even raar aan. Ze hadden alleen maar vrouwen met problemen, hij was de eerste transportondernemer. Toch leerden ze hem om „beter in het leven te staan”.

Ik vroeg wat dat was.

Nou, zei Leo. De sociale druk weerstaan dus, en zo. Ook eens doen wat je zelf wilt. Hij wérkt al 60, tot 70 uur per week. Toch komen ze altijd weer vragen: „Daar heb jij toch wel tijd voor?”

„In de par-ti-ci-pa-tie-samenleving”, zei Leo Grootzevert met lichte spot, „moet je vooral opkomen voor jezelf.”

En hoeveel tijd besteedde hij sinds zijn cursus aan vrijwilligerswerk?

Leo keek als herboren. Hij slaakte een ontspannen zucht en zei: „Nog maar een uur of tien per week.”