Altijd gezellig met z’n tweetjes in de baarmoeder

Klauwaapjes krijgen vrijwel altijd tweelingen // Bij de vrouwtjes komen altijd twee of meer eitjes vrij // De genmutaties die daarvoor zorgen kunnen ook bij mensen de aanleg voor tweelingen verklaren

Klauwaapjes hebben unieke mutaties in de genen die betrokken zijn bij de eisprong. Foto Thinkstock

redacteur biologie

Zuid-Amerikaanse klauwaapjes krijgen eigenlijk altijd tweelingen. Amerikaanse primatologen hebben nu mutaties in vier genen gevonden die de aanleg voor tweelingen kunnen verklaren, schreven ze vorige week in PNAS.

Klauwaapjes zijn een grote groep van Zuid-Amerikaanse dwergapen. Ze heten klauwaapjes omdat ze kromme klauwtjes in plaats van platte nagels hebben. Deze aapjes leven vooral van insecten en boomhars of boomgom, aan de rand van het regenwoud.

Tijdens de eisprong van het vrouwtje komen bijna altijd twee of meer eitjes vrij: de tweelingen zijn dus twee-eiig. Bijzonder is dat de placenta’s van de twee embryo’s vroeg in de zwangerschap versmelten. De tweeling deelt dezelfde bloedbaan.

De grootste klauwaapjes zijn niet zwaarder dan een paar honderd gram. Dat is ongewoon klein voor apen. Primatologen vermoeden dat het krijgen van tweelingen iets te maken heeft met de dwerggroei van klauwaapjes. Kleinere aapjes zouden bijvoorbeeld meer nakomelingen moeten krijgen, omdat meer van hun jongen ten prooi vallen aan roofdieren. Andere onderzoekers hebben geopperd dat het tweelinggen zich kon verspreiden doordat de aapjes zich dan sneller voortplanten. Maar of klauwaapjes eerst tweelingen kregen en daarna kleiner werden of andersom, was onduidelijk.

Daarom onderzochten Amerikaanse primatologen 63 genen van klauwaapjes waarvan bekend was dat ze betrokken zijn bij de eisprong of bij lichaamsgroei. Ze vergeleken die genen met die van andere apen.

De klauwaapjes hebben unieke mutaties in 13 ovulatiegenen. Vier daarvan zien de onderzoekers als echte tweelinggenen, omdat twee van die mutaties bekend waren van schapenrassen die vaak tweelingen krijgen.

Het derde gen is vaak gemuteerd bij mensenmoeders met een hogere kans op twee-eiige tweelingen. En een mutatie in het gen WFIKKN1 zien de primatologen als kandidaat, omdat hij niet voorkomt bij de springtamarin (Callimico goeldii), het enige klauwaapje dat nooit tweelingen krijgt.

De Amerikanen vonden ook mutaties in genen die de dwerggroei van klauwaapjes kunnen verklaren, maar veel van die mutaties hebben andere Zuid-Amerikaanse apen ook. De primatologen denken daarom dat deze mutaties al zijn ontstaan in de voorouder van álle Zuid-Amerikaanse apen.

Toen de klauwaapjes overgingen op een dieet van boomgom en -hars, een unieke levensstijl, konden de klauwaapjes nieuwe gebieden veroveren. Snel en veel kinderen krijgen werd daarom belangrijk. Waarschijnlijk zijn de tweelingmutaties toen ontstaan en vastgelegd.

Of mutaties in de overige genen ook bij mensen een hogere kans geven op twee-eiige tweelingen, willen de Amerikanen nu onderzoeken.