Als hij met de bal over het veld raasde, was hij volmaakt gelukkig

Eusébio da Silva Ferreira (71)

Hij leerde voetballen in een sloppenwijk in Mozambique. Op blote voeten en met een bal van lompen. De ‘Zwarte Panter’ werd een van de beste voetballers ooit.

Een aai over mijn bol. Als dank voor de ballen die ik (en een paar andere jongens) voor hem en zijn medespelers bij Benfica vanachter de tribune achter het doel van Costa Pereira had gehaald en met de binnenkant van mijn voet terug in het veld had geschoven. Hij lachte me toe, zei iets in een onbegrijpelijke taal en liet me in adoratie achter op het voetbalveld van de Wageningse Berg. Daarom werd Eusébio toen mijn idool. Zondagmorgen overleed hij aan hartfalen, Eusébio da Silva Ferreira (71).

Het was 1 mei 1962. Benfica had zijn trainingskamp opgeslagen op de Wageningse Berg, waar de ploeg in het gelijknamige hotel logeerde. De volgende dag versloeg Benfica in het Olympisch Stadion van Amsterdam dankzij twee doelpunten van Eusébio met 5-3 het Real Madrid van mijn intussen verdrongen idool Alfredo Di Stéfano.

Eusébio was anders dan Di Stéfano. De Argentijnse Spanjaard was technischer en sierlijker en meer een gewiekste spelmaker dan de Portugees, afkomstig van de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Eusébio was sneller, explosiever, sterker, atletischer, en beschikte over een snoeihard schot. Zoals hij dat tijdens de schietoefeningen op de Wageningse Berg liet blijken, toen hij met Aguas, Augusto, Simoes, Germano en Coluna van afstand de prachtige doelman Costa Pereira onder vuur nam.

Eusébio behoort tot de beste voetballers aller tijden. Zijn op vele beelden vastgelegde rushes, zijn schoten en zijn vele doelpunten in de jaren zestig vormen daarvan het bewijs. Hij was ook een sportieve voetballer, een sportman die vriendelijk bleef voor zijn tegenstanders – hoezeer ze hem ook met grove middelen tegenspel boden.

Hij had meer trofeeën verdiend dan elf Portugese titels, één Europese clubtitel en één keer Europees voetballer van het jaar. Hij was ook tweemaal topscorer van Europa. Het was het lot van de ‘Parel van Mozambique’of de ‘Zwarte Panter’. Voetbal stond bij hem in het teken van hartstocht. ‘Als de hartstocht geboren wordt, moet het avondeten wachten’, zei hij in zijn biografie Mijn naam is Eusébio. Als hij voetbalde, met de bal aan zijn voeten over het veld raasde, was hij gelukkig en dacht hij aan niets anders dan plezier. Nooit was hij bang. Zoals hij dat op blote voeten had geleerd in de sloppenwijk van Lourenço Marques (nu Maputo), de hoofdstad van Mozambique. Spelend met een bal van lompen.

‘Niemand’ werd hij als jongen genoemd, Ninguém. Zijn moeder was een arme weduwe, die de 7.500 dollar over de keukentafel uitspreidde die Benfica voor haar 18-jarige zoon betaalde. Ze beloofde het geld terug te geven als hij niet voldeed.

Eusébio voldeed, vanaf de eerste (oefen)wedstrijd tegen Santos, de ploeg van Pelé. Hij viel twintig minuten voor het einde in en scoorde drie keer. Santos won met 6-3. Pelé, die niet scoorde, vroeg na afloop wie toch die jongen was. Eusébio groeide snel uit tot een uitblinker in Portugal en in Europa. Nooit zou hij met volle teugen van zijn status genieten. Nooit zou de melancholie uit zijn ogen verdwijnen. Uitgelaten vierde hij zijn doelpunten en triomfen, in tranen onderging hij nederlagen. Een fadista, een man die de fado, het lied van de melancholie, vertolkte met zijn voeten.

Tranen van groot verdriet liet Eusébio na de uitschakeling met het nationale team van Portugal in de halve finale van het wereldkampioenschap van 1966 door Engeland. „Ik keek naar de hemel, vroeg God waaraan ik dit had te danken, en toen kwamen de tranen”, zei hij in een portret van tv-zender Sky Sports. Hij was in het Wembleystadion van Londen lam gelegd en gesloopt door de Engelse ‘terriër’ Nobby Stiles.

Eusébio kwam niet toe aan de weergaloze acties waarmee hij tijdens de kwartfinale tegen Noord-Korea opzien baarde. Menigeen beschouwt de kwartfinale als een van de meest memorabele in de voetbalgeschiedenis. Noord-Korea, dat eerder Italië uitschakelde, was snel op een 3-0 voorsprong gekomen. Toen ontbond Eusébio zijn ketenen en raasde hij met de Portugese ploeg over de Koreanen heen. Voor de rust werd het 3-2. De eindstand werd 5-3, vier doelpunten van Eusébio. A man in a hurry, kopte een Engelse krant.

De toernooiorganisatie besloot op aandringen van de Engelse voetbalbond de halve finale tussen Engeland en Portugal te elfder ure te verplaatsen van Liverpool (waar Portugal bivakkeerde) naar Londen. Vermoeid door de late treinreis traden de Portugezen aan tegen het gastland. Eusébio was Eusébio niet meer. Portugal was Portugal niet meer. Engeland, met de fameuze Bobby Charlton, won en zou wereldkampioen worden. Eusébio werd topscorer van het toernooi met 14 doelpunten. Zijn verdriet was er niet minder om.

Twee jaar later verloor Eusébio weer op Wembley, 1-4. Nu in de finale van de Europa Cup tegen Manchester United. Weer tegen Nobby Stiles, die nog ruwer dan in 1966 de Portugese ster tegenspel gaf. Bij de stand 1-1 kreeg Eusébio een enorme kans, maar vlak voor doelman Alex Stepney miste hij. Eusébio reageerde niet gefrustreerd, maar sportief. Hij gaf de United-doelman een schouderklopje. De Parel van Mozambique ten voeten uit.

Het einde van de glorieuze loopbaan naderde. Een chronische knieblessure dreef hem vaak tot wanhoop. Het leven werd meer fado dan voetbal. Hij won nog titels met Benfica, speelde in de Verenigde Staten en in Mexico, maar raakte verslaafd aan de drank en gokken. Vrouwen smeten met zijn geld. Bij Benfica mocht hij nog even hulptrainer zijn, en permanent adviseur. Hij genoot van zijn heldenstatus, maar hij kon de diepgewortelde melancholie niet meer verbergen.

In de documentaire Football’s Greatest zei Eusébio in 2011: „Ik hoop dat de rouwstoet bij het beeld voor mij voor het stadion van Benfica even stopt, dan een ronde om het stadion maakt en dan naar binnen gaat.’’