Wacht, een woord

Ooit waren wachtwoorden er alleen voor geheime genootschappen. Ik stel me zo voor: je was minstreel en je moest een kasteel binnen komen, maar om spionnen buiten te houden was er dat wachtwoord. Dat je in een verzegelde brief had gekregen die je inmiddels al had opgegeten (figuur 1). Wachtwoorden vroeger: exclusief, spannend, leuk.

Wachtwoorden nu: vervelend, veel te veel, niet te onthouden. Het omgaan met wachtwoorden is een voortdurende confrontatie met je eigen onvermogen. Óf je weet je wachtwoord niet meer, en dan moet je iets doen met de meisjesnaam van je huisdier. Óf je weet je wachtwoord wel, omdat je altijd een variant op hetzelfde doet, en dat betekent dan weer dat Russische bendes as we speak je identiteit aan het stelen zijn.

De grootste irritatie die ik echter heb bij wachtwoorden is een irrationele: waarom vindt de computer het nooit goed als je je wachtwoord bijna weet? Stel, mijn wachtwoord is ‘huphuppaulien37’. Ik voer in: ‘Huphuppaulien37’. Fout. Vanwege die ene hoofdletter. Ik kan het echt ontzettend flauw vinden van de computer, dat hij geen begrip heeft voor dit soort kleine vergissingen. Duidelijk is toch dat ik het wel wist? Ik zie mijn computer, en het hele internet eigenlijk, als een iets te strenge juf op de basisschool: „Maar ze zág toch dat ik het Tjeukemeer bedoelde! Ook al zei ik Fluessen?” Dat exactheid juist het hele punt van een wachtwoord is, maakt niets uit voor het basisgevoel van onrechtvaardigheid.

Vaak heb ik gefantaseerd over een computerprogramma dat bij een verkeerd ingevoerd wachtwoord zegt: „Bíjna! Probeer nog eens?” Of: „Niet helemaal, maar ik reken het goed.” (figuur 2)

Dit soort irritaties bestaat pas een jaar of vijftien op grote schaal. En vermoedelijk komt er over een jaar of vijftien een tijd dat we helemaal geen wachtwoorden meer nodig hebben. Dan doe je alles met je vingerafdruk of je irisscan. Er zullen nog wel wachtwoorden zijn, maar alleen voor geheime genootschappen. Huphup.