Quay Bros., Mme Rosa, Spinvis

Joyce Roodnat

Goed nieuws, het gerucht klopt: Spinvis schrijft een theaterstuk voor De Hollanders.

Of ik kieuwen heb. Zo voel ik me, zwevend door de groene schemering waarmee het Amsterdamse filmmuseum EYE de opgewekte zwartgalligheid van de Quay Brothers omhult. Amerikaanse, ver-europeeste poppenfilmers. Zonen van het surrealisme. Broers. Een tweeling. Zou dat uitmaken? Ja. Gevoelens tussen broers en zussen kunnen heftig zijn. Er is uniek vertrouwen. Er is unieke rivaliteit. Er is van jongsaf een unieke eigen wereld. Daar vaart de kunst wel bij.

Er zijn meer bloedverbonden kunstduo’s. De pianobroers Jussen. De tweeling Liesbeth en Angelique Raeven, als beeldend kunstenaars een twee-eenheid die zelfs werkt onder één naam: L.A. Raeven. Hun video’s en performances hebben maar één onderwerp: hun wederzijdse psychische verwurging. Bij hen ging het gierend mis. Maar de gebroeders Joel en Ethan Coen maken hun films in onaanraakbare harmonie. Hoe dat gaat? Hun Italiaanse collega’s, de fratelli Taviani, vergeleken het met een cappuccino: niemand kan zeggen waar de koffie ophoudt en de melk begint.

Bij de Quay-broers gaat het nog verder, lijkt het. Ik zie in EYE het wonderwerk van een dubbelkoppig monster. Dat Chang en Eng, de beroemdste Siamese tweeling uit de geschiedenis, bij hen figureren, verbaast me niets.

De Quays zijn animatiefilmers. Kijkdoosmakers. Kinderspul? Vergeet het maar. Zwarte Kunst. Ademnood. Met elke film, elke tekening, elk diorama, stellen zij de oervragen van de alchemist. Wat is leven? Hoe levend is de dood? Hardvochtig zoeken ze het uit. Met groezelige elegance. Pervers. Hypergevoelig. Vreemd vertederend zijn hun films. Maar nooit, nee nooit koket, daar letten ze denk ik op.

Heel anders dan in de poppenfilm Dag meneer de Vries, die zo bejubeld wordt in de sociale media. Het gaat weer eens over een bejaarde man. Nee, over een oud mannetje. In een huisje. Met schaatsjes. Hij gaat doodje. Met een lachje en een droompje. Ik overdrijf dit niet, zo tuttig is het.

Cliché, quasi gevoelig. Knap gemaakt, jazeker, dat ontken ik niet. Maar zo kneuterig, vol tot op de draad versleten elementen. Hoe kan een animatiefilmer dat doen, in een wereld waar de Quay Brothers bestaan? Dan hang je toch niet veilig onderuit? Daar zet je iets tegenover.

Kijk naar Aziz Akazim. Naar wie? Ja, die: de jonge acteur die het in het stuk Madame Rosa opneemt tegen Anne Wil Blankers. Het Nationale Toneel viert haar vijftigjarig jubileum met deze voorstelling over een voormalige Joodse hoer op leeftijd en haar moslimpleegkind. Niet verwonderlijk dus dat het stuk een en al Anne Wil is. Aziz Akazim zou in haar schaduw kunnen blijven. Nee. Hij speelt niet op zeker, hij speelt met vuur. Hij weerstaat haar brille, spartelt tegen haar ambachtelijk geweld. Niet dat hem dat steeds lukt, maar hij ontroert. Meer dan zij – wat dit stuk precies de andere dimensie geeft die het nodig heeft, aangezien het gros van het publiek zich Simone Signoret herinnert in La vie devant soi, de film van dit stuk.

In de wandelgangen van de Haagse schouwburg hoor ik een gerucht over De Hollanders, de selfmade theatergroep van een stel jonge acteurs. Na Arnon Grunberg en Arthur Japin te hebben verleid speciaal voor hen te schrijven, zouden ze nu een stuk hebben gevraagd aan Spinvis. De dichter, zanger, performer die eigenlijk Erik de Jong heet. Meester van de betrekkelijkheid. Schrijver van de song ‘Heel goed nieuws’ („Wat zo vreselijk belangrijk was, wordt uitgewist en opgezegd / En dat is heel goed nieuws”).

Ik bel met Hollander Thijs Prein. Ja, het is waar, Spinvis schrijft voor hen. Klopt, Ramsey Nasr zou iets maken, maar die ging acteren. En Dimitri Verhulst wilde wel, maar ook hij heeft voorlopig geen tijd. „We moeten ook niet de theatergroep worden die een stuk bestelt bij de ene na de andere romanschrijver. Onze stijl is juist: wat nu, en met wie?”

Een aantal van De Hollanders deed kleinkunst, die willen wel eens iets anders dan teksttheater, zegt hij. Dus jullie wilden sowieso weg van de literatuur, opper ik. „Spinvis is hartstikke literair”, zegt Prein. Wat waar is.

Nu schrijven ze brieven, aan elkaar en aan Spinvis. Thema ‘de buitenstaander’. Binnenkort gaan ze met die brieven als basis zes weken aan de slag. Nee, Spinvis zal niet zelf in hun stuk mee doen, hij speelt in de opera die hij maakt voor het theaterfestival Oerol. „Maar we zouden het wel willen. En hij ook, dat voel ik”, laat Prein zich ontvallen.

En dat is heel goed nieuws.