Niemand wacht meer met publiceren tot het verhaal compleet is

We hebben afgesproken in een café bij het huis van Lieke Peper (47). Cafés zijn werkplekken geworden, constateert ze met een blik op alle laptops.

Zelf verzorgt Peper als vrijwilliger één dag per week meerkatten, wasberen en andere dieren bij Stichting AAP. En vier dagen is ze universitair hoofddocent bij een bloeiende onderzoeksgroep bij de faculteit bewegingswetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daar promoveerde ze in 1995 ook.

„De eerste vijf of zes” experimenten die ze tijdens dat promotieonderzoek deed, vormden samen haar eerste publicatie. Stuk voor stuk weerlegden ze een bestaand model, en in het artikel gaf Peper ook een alternatief model. „Het is mijn meest geciteerde publicatie en ik ben er nog steeds trots op. Juist omdat het zo’n compleet verhaal was.”

Hoe anders gaat dat nu bij haar eigen AIO’s. „Nu zou je nooit meer zoveel experimenten opsparen voor één artikel. Zodra een experiment iets oplevert, publiceren we. Dat doe ik niet voor mezelf, maar vooral omdat het voor AIO’s vreselijk belangrijk is om te publiceren.”

Jonge onderzoekers worden afgerekend op hun publicaties. Oudere trouwens ook. „In mijn taakomschrijving staan richtlijnen: hoeveel AIO’s ik moet afleveren, hoeveel extern geld ik moet binnenhalen, hoeveel artikelen ik jaarlijks moet publiceren en hoe vaak als eerste auteur.”

Problemen geeft dat niet – haar werk loopt goed. „Alleen geld binnenhalen wordt steeds lastiger.” Na haar promotie haalde Peper meerdere persoonsgebonden subsidies binnen bij de KNAW en NWO. Nu lopen de geldstromen in toenemende mate via Europa, en de Europese Unie stelt andere eisen aan onderzoeksvoorstellen. „Daar moet ik mijn weg nog in vinden.”

Het brengt haar op haar kanttekeningen bij het huidige systeem. Zeker, om de kwaliteit van een onderzoeksgroep of -voorstel te waarborgen heb je kwantitatieve graadmeters nodig. En het is prima dat er ‘onderzoeksspeerpunten’ worden aangewezen op basis van maatschappelijke wensen. „De maatschappij betaalt ons tenslotte.”

Bovendien bracht de competitie om onderzoeksgelden – op basis van die speerpunten en kwaliteitseisen – aanvankelijk veel goeds. „Er was destijds vaker onderzoek om het onderzoek, met weinig urgentie.” Maar nu? „Nu rennen veel onderzoekers rond als hamsters in een molen, om aan alle eisen te voldoen.”

Ze publiceren onderzoeksresultaten bijvoorbeeld zoveel mogelijk opgedeeld in partjes. Of ze zijn opportunistisch bij subsidieaanvragen. „Niet: hoe kan ik het onderzoek gefinancierd krijgen wat ik graag doe? Maar: welk type onderzoek kan ik gefinancierd krijgen en wat kan ik daarbinnen doen?”

Door het terugschroeven van de basisfinanciering is er bovendien minder ruimte voor gedegen, langlopende onderzoeksprojecten. En voor exploratief onderzoek waarvan de uitkomst onzeker is, „maar dat misschien iets prachtigs oplevert.”

„Tegelijkertijd ‘verdampt’ er juist ontzettend veel geld in die zwaar bevochten competitie: er gaat zoveel tijd verloren met het schrijven en beoordelen van niet gehonoreerde voorstellen.”

Ze denkt even. „Nog iets, iedereen moet natuurlijk zelf uitmaken hoe opportunistisch hij of zij wil zijn. Alleen: als je langer meedraait, kruipen al die eisen ongemerkt in jezelf. Tijdens mijn promotieonderzoek ging het om het beantwoorden van een vraag, om de ideeën. De publicaties kwamen daaruit voort, maar vormden niet de hoofdzaak. Nu merk ik dat ik er zelf ook op aanstuur dat elk experiment gepubliceerd wordt, zelfs als de conclusies beperkt zijn. Het systeem is verworden.”

Margriet van der Heijden