Nederland valt voor simpel

De auto wordt weer een gebruiksvoorwerp, zegt Bas van Putten. Het allerfijnste kleintje van nu is de Hyundai i10.

Foto Lars van den Brink

Hoe voel ik mij, boer van nature, in vijfsterrenhotels? Verwend en vervreemd. De kloof tussen het hoogdravende voorzieningenniveau en mijn degelijke reizigersbehoeften is te groot. Op z’n boers: ik koop niks voor die luxe. Voor het ligbad en het wellnesseldorado heb ik toch geen tijd. Het Nespresso-apparaat is geen partij voor de espressobar om de hoek. De elektrisch bedienbare gordijnen had ik zelf kunnen dichttrekken. Waarom denkt de hotelketen dat ik als toerist of zakenreiziger in Parijs, Wenen of Milaan op tv met dvd en een onbegrijpelijke afstandsbediening zit te wachten? Ik kwam voor de Champs-Elysées, het Prater of de Scala. Als ik ben uitgefuifd en uitvergaderd wil ik een douche, een bed, een redelijk ontbijt, een strijkbout en een strijkplank – verder niks. Hotels zijn om in te slapen; geluk ben je zelf.

Waarom logeren mensen dan in het Hyatt?

Voor wat zij zien als de essentie van genot, de gratie van het overbodige. Je betaalt niet voor de service, die in een Duits plattelandshotel even goed is; de corebusiness van een tophotel is duur doen. Dat verwenmodel greep in goede tijden als de pest om zich heen. Je Best Western kreeg een zwembad, de Van der Valks gingen het Hilton imiteren. Allemaal wilden ze hogerop met grote kamers, design, toeters en bellen.

Die weg is de auto ook gegaan. De Opel Astra van vandaag had Opel Hyatt kunnen heten; een hoorn des overvloeds van overbodigheden, alles elektrisch. Het kon. Er was geld zat.

Je mag stellen dat dat vreselijk uit de hand is gelopen. Ik maak auto’s mee waarin ik de kleur van de interieurverlichting en de sluitsnelheid van de elektrische kofferklep kan instellen met bedieningsprocedures die de hoogst irritante keerzijde van de geluksmedaille zijn geworden. Aan de dikte van de instructieboekjes zie je dat de grenzen tussen overdaad en overlast vervagen. In dashboardkastjes kom je folianten tegen van honderden pagina’s. Ik moet de man nog tegenkomen die ze heeft uitgelezen.

Maar ik zie een kentering. We zien de terugkeer van de auto als gebruiksvoorwerp. Het gaat bijvoorbeeld goed met de budgetmerken. Dacia biedt voor ver onder de twintigduizend euro eenvoudige maar doelmatige mpv’s en stationwagens aan, met een bedieningsprotocol dat net als vroeger weer op een A4’tje past. En Nederlanders kopen massaal kleine, simpele autootjes. Je doet die turfjes tekort door hun opmars aan de brandstofprijzen en de crisis toe te schrijven. Die vormden inderdaad de voedingsbodem voor hun renaissance, maar na hun overstap naar de bescheidener modellen deden klanten de verheugende ontdekking dat ze minder hadden ingeleverd dan ze dachten.

Autopiramide

Hoe goed die kleintjes zijn, heb ik de afgelopen jaren aan den lijve mogen ondervinden. De VW Up!, de Mitsubishi Space Star, Hyundai Picanto – ze waren stuk voor stuk plezierige verrassingen. In deze klasse zie je de auto-industrie nog vooruitgang boeken, terwijl in de hogere etages van de autopiramide de ontwikkeling zo goed als stilstaat. De nieuwe S-klasse is niet waarneembaar beter dan de vorige, maar de voormalige stadsauto wordt per generatie ruimer en comfortabeler. Op de rauw klinkende Fiat Panda na kun je die kleintjes ongezien bestellen. Maar de allerfijnste van het ogenblik is een Hyundai, de i10.

Dat zie je niet aan hem af. Het is een anoniem, duf ding op rare kleine wieltjes. Van wat Hyundai ‘stijlvol en eigentijds design’ noemt, zou de Hyatt-architect zich walgend afwenden. Om binnenruimte te creëren zijn de achterste wielkasten zo ver naar buiten gedrukt dat de achterbumper als een bloedlip opzwelt. Daar wordt zo'n Koreaantje niet charmanter van.

Het dashboard is in zijn opgewekte, goed georganiseerde keurigheid net zo erg. Leuk wordt het na de start. Je hoort niks. Dit is de stilste driecilinder in zijn klasse. Tot ver boven de honderd blijft de Hyundai onwaarschijnlijk kalm. Het vermogen is met 66 pk niet uitzonderlijk, maar voor een dwerg van 900 kilo blijkt het ruim voldoende. Zijn lage gewicht drukt het verbruik. Na een week stevig rijden onder alle courante Nederlandse verkeersomstandigheden meldt de boordcomputer een gemiddelde van 1 op 19.

Een i10 met airconditioning, elektrische ramen en zes airbags kost 11.000 euro. Die prijs zou je marktconform noemen als een auto van 22.000 euro twee keer zo goed was, maar de i10 stijgt ver boven zijn klasse uit met een comfort dat lange reizen geenszins in de weg staat. Deze licht sturende, goed verende, ruim zittende anonymus is de indrukwekkendste debutant van 2013.