Nederigheid - de moeder van alle deugden

Nederigheid is niet hetzelfde als gebrek aan zelfvertrouwen. De nederige mens kent zichzelf en staat open voor nieuwe inzichten. En hij is niet bang om af te gaan.

Een gezond, robuust zelfvertrouwen – een kenmerk van nederigheid. Serieus? Zeker. Het is zelfs het eerste van vijf kenmerken van nederigheid die twee Amerikaanse psychologen noemen in een verkennend overzichtsartikel over de psychologie van de nederigheid, dat vorige maand verscheen in Social and Personality Psychology Compass (december). Verdere kenmerken van nederigheid zijn: de eigen fouten onder ogen zien, openstaan voor nieuwe informatie, gericht zijn op anderen en iedereen gelijkwaardig achten.

Bij dit rijtje eigenschappen denk je als lezer al snel aan bijvoorbeeld Moeder Theresa, Ghandi en Jezus, maar de onderzoekers noemen in hun artikel geen voorbeelden van beroemde nederige mensen. Ze betogen juist dat nederigheid niet alleen een stabiele persoonlijkheidseigenschap hoeft te zijn, maar dat de meeste mensen weleens een nederige bui kunnen hebben. Bijvoorbeeld bij de geboorte van een kind, bij een religieuze ervaring, als iemand iets groots verricht of als mensen diep contact maken met iemand die vergelijkbare problemen heeft. Dit is een hoopvol idee, menen de psychologen: als nederigheid niet louter een stabiele eigenschap is, zou je het in theorie bij mensen kunnen aanleren en cultiveren. Als je weet waarmee het samenhangt en waaruit het precies bestaat.

Ondergewaardeerd

Dat zijn psychologen dus nu in kaart aan het brengen. Nu pas, zou je kunnen zeggen. Volgens de auteurs, onder wie de bekende geluksonderzoeker Sonja Lyubomirsky, zou nederigheid weleens de meest ondergewaardeerde deugd kunnen zijn – ook al werd ze door de negentiende-eeuwse Britse dichter Alfred Lord Tennyson ‘de moeder van alle deugden’ genoemd – en maakt nederigheid deel uit van elk van de twaalf stappen van ontwenningsprogramma’s zoals dat van de Anonieme Alcoholisten.

Maar inmiddels bestuderen diverse onderzoeksgroepen de rol van nederigheid op uiteenlopende terreinen, zoals relaties, leiderschap en het vermogen om te leren. Omdat het nog maar een beginnend onderzoeksterrein is, beschrijven de twee Amerikanen vooral wat nederigheid inhoudt en hoe je het zou moeten meten. Vragen aan mensen hoe nederig ze zijn, is natuurlijk vragen om moeilijkheden, in de vorm van sociaal wenselijke antwoorden. Idealiter zou je de nederigheid van mensen moeten laten beoordelen door niet één, maar verschillende mensen om hen heen. Zo kun je meteen zien of ze het eens zijn over wat nederigheid precies inhoudt.

Accepterend zelfbeeld

Daar hebben de onderzoekers dus een vijfpuntenplan voor opgesteld. Wie nederig is, heeft om te beginnen een ‘kalm, accepterend zelfbeeld’ dat niet overgevoelig is voor bedreigingen van het ego, schrijven ze. Te weinig zelfvertrouwen is geen kenmerk van nederigheid, maar van depressie. En te veel zelfvertrouwen, of erger nog, een wiebelig zelfbeeld, is eerder een kenmerk van narcisme – in veel opzichten het tegendeel van nederigheid. Het ego van narcisten is heel gemakkelijk te kwetsen, en ze zoeken dan ook voortdurend reparerende bevestiging.

Narcisten hebben ook geen duidelijk beeld van hun goede en slechte eigenschappen. Ze blazen hun positieve eigenschappen op en geven anderen de schuld van hun fouten. Dit in tegenstelling tot nederige mensen, die zichzelf goed kennen en zelf de verantwoordelijkheid nemen als ze dingen verkeerd doen. Wat daarbij helpt is de derde eigenschap van nederige mensen: dat ze openstaan voor nieuwe inzichten, zowel over zichzelf als de wereld om hen heen. Ze maken zich er geen zorgen over dat ze misschien afgaan – en mede doordat ze die stress niet hebben, leren ze beter.

En, punt vier, omdat ze hun eigen ego niet zo sterk hoeven op te poetsen, hebben ze ruimte in hun geest om oprecht blij te zijn als het goed gaat met andere mensen. De psychologen citeren instemmend de Britse schrijver C.S. Lewis, die nederigheid gedefinieerd zou hebben als ‘not thinking less of yourself, but thinking of yourself less’. Zowel narcisten als depressieve mensen zijn juist wel voortdurend met zichzelf bezig.

Tot slot vinden nederige mensen dat iedereen dezelfde intrinsieke waarde heeft. We zijn allemaal gelijk, niemand is beter dan een ander. Het is wel duidelijk dat narcisten ook daar anders over denken.