Nanodeeltje stuit vroege borstkanker

Een klein RNA-molecuul, gekoppeld aan een vettig nanodeeltje smoort de vroegste stadia van borstkanker in de kiem. Er wordt dan een gen geblokkeerd dat de overgang van voorstadium naar agressieve tumor stuurt, toonden onderzoekers van Harvard University aan bij muizen. Als het ook bij mensen werkt kan het in de toekomst veel operaties besparen (Science Translational Medicine, 1 januari).

De meeste borstkanker begint in cellen van de melkgangen, als zogeheten ductaal carcinoom in situ (DCIS). Zo’n beginnend gezwel kan op den duur doorgroeien naar de rest van de borst en ook uitzaaien. Dat gebeurt echter lang niet altijd. Omdat niet te voorspellen is of dit staat te gebeuren, worden die vroege carcinomen verwijderd. Meestal volstaat een borstsparende operatie, soms gevolgd door een bestraling. De genezingskans is vrijwel 100 procent, maar de behandeling is allesbehalve prettig. Eleganter zou het zijn als de ontwikkeling van een DCIS gestuit zou kunnen worden.

Uit een grote analyse van genactiviteit in 11.000 ductale carcinomen rolde het gen HoxA1 als de belangrijkste aanjager van de vroege borstkankergroei. Dat gen is stil te leggen met een zogeheten siRNA, een specifiek op dit gen toegesneden stukje RNA. Gekweekte DCIS-cellen stopten door dat siRNA met groeien. Deels veranderden ze weer in gezonde cellen.

Om dat ook in levende muizen te bereiken verpakten de onderzoekers het siRNA in een vetachtig nanodeeltje, een beproefde methode om opname te vergemakkelijken. Dit spoten ze via de tepel in de melkgangen van muizen die genetisch extra vatbaar voor borstkanker waren gemaakt. Vier maanden later hadden alle onbehandelde controlemuizen kanker, tegen een kwart van de behandelde. Huup Dassen