Nagekomen Pieten, asfaltbomen en een knik

De essentie van de brievenweger rechts is weergegeven in de tekening links. De knik in de hefboom is onmisbaar. Zonder knik zou in willekeurige standen evenwicht bereikt worden. Foto en bewerking Studio NRCH

Terug naar reacties op eerdere afleveringen van deze rubriek. De meeste betroffen het Zwarte Piet-debat waarvan sommige lezers al in de loop van november ‘kotsmisselijk’ waren. In de AW-rubriek beperkte het zich voornamelijk tot de vraag wat de illustrator van het allereerste Sinterklaasboekje van onderwijzer Jan Schenkman (1850) met het toen gekozen zwartepietenpakje bedoeld kan hebben. Waarom kreeg de gloednieuwe zwarte knecht een Turkse broek aan en werd hij op een steigerend paard gezet? Je zou zweren dat de tekenaar hem een Arabische touch wilde geven. Dat het kostuum dat de tweede illustrator koos een soort pagepakje was lijkt wel zeker. Er zijn afbeeldingen te over van Moorse pages in een korte pofbroek.

Het ergert kunsthistorica Irene Groeneweg, eerder verbonden aan de Universiteit Leiden, dat het bewuste pagepakje keer op keer ‘zeventiende-eeuws’ wordt genoemd. Het kostuum dat de tweede illustrator koos is volgens haar ontleend aan de zestiende-eeuwse ‘Spaanse’ mode. Die werd gekenmerkt door een nauwe buis, een pofbroek, een plooikraag en een baret met veer. Omdat Jan Schenkman van de Turkse bisschop een Spaanse had gemaakt lag het in de rede hem ook een Spaanse knecht te geven, schrijft zij. De illustrator kleedde hem daarom in het enige kostuum dat algemeen herkend werd als ‘Spaans’.

Groeneweg krijgt gelijk van een illustratie die lezer Frits Meijboom opstuurde. In Antwerpen werd onlangs een vriendenboek van Jan van der Meyen uit de periode 1570-1578 tentoongesteld. Ene Johannes Pael heeft er een tekening in achtergelaten van een Genuees bruidje dat haar sleep laat dragen door een Moor die een honderdprocents zwartepietenpak draagt.

Maar daarmee weten we nog steeds niet wat de illustratoren bedoelden met de kostuums die ze kozen. En wat het lezerspubliek van 1850 (dat is: de kinderen en hun ouders) begreep van de bedoeling. Zag het publiek bij de tweede illustrator echt een Spaanse knecht of een Moorse page of gewoon: een donkere helper in een vrolijk kermispakje? En hoe had het het eerste kostuum, dat met die lange wijde broek, begrepen? Als je ziet wat er rond die tijd aan geïllustreerde literatuur en lectuur (de penny-magazines als het Nederlandsch Magazijn en Het Leeskabinet ) en centsprenten werd aangeboden kom je tot de overtuiging dat de wijde lange broek beter te duiden viel dan de pofbroek. ‘Turken’ kwamen vaak in beeld, pages helemaal niet.

Op 14 september is hier de vraag gesteld waarom de Amsterdamse gemeente haar bomen tot aan de stamvoet in het asfalt laat gieten. Hoe komen die bomen nog aan water? Daar is door verschillende lezers smalend op gereageerd: zo ver is het grondwater toch niet.

Nu, dat was de AW-redactie niet ontgaan. De kwestie is dat de meeste Hollandse bomen lang zo diep niet wortelen als vaak wordt aangenomen. De bomen die bij de afgelopen stormen omwoeien lieten het duidelijk zien: de wortels komen niet dieper dan een meter. Ze bereiken het grondwater niet. Dat asfalt is stupide.

Wat je na de zware stormen ook goed zag, is dat de omgewaaide bomen lang niet alle precies in de overheersende windrichting waren omgevallen. Wel globaal, maar niet precies. In de bebouwde kom ontstaan natuurlijk allerlei draaiwinden die het laatste zetje kunnen geven. De vraag is of dit in de vrije natuur niet ook zo is. De Brit Tristan Gooley, die cursussen natuurlijk navigeren geeft (AW, 2 februari 2013), beweert zich geregeld te oriënteren op de valrichting van omgewaaide bomen. Hij onthoudt daarvoor uit welke hoek de laatste zware storm woei. Maar onze storm van 28 oktober kwam uit het zuidwesten, die van vijf weken later uit het noordwesten. Is dat verschil over een jaar nog te zien? Koop toch een kompas, zou je zeggen.

Op 2 november is aan de hand van de literatuur geprobeerd uit te rekenen hoever een mens tegen de wind in kan leunen als het stormt. Daarvoor werd het menselijk lichaam beschouwd als een star fysisch lichaam dat kan kantelen om het steunpunt op de grond, de voeten dus. Bij het leunen is er evenwicht tussen het koppel dat het lichaam naar voren drijft (het lichaamsgewicht) en de winddruk die er tegenin werkt. De berekening kwam niet geweldig uit. Maar diverse lezers wezen erop dat er een derde kracht werkzaam is: die van de tenen. Ook zonder wind kun je al flink naar voren leunen. Daarvoor moet gecorrigeerd worden.

Toch was het een plezier te merken dat dat leunen opeens simpel viel te analyseren als de mens was vervangen door een star lichaam-met-draaipunt waarop twee of drie krachten aangrijpen. Later drong het besef door dat ook de werking van de altijd wat raadselachtige klassieke brievenweger c.q. keukenweegschaal op die manier is te begrijpen. Zie de foto. Het kleine parallellogram onder de weegschaal speelt geen noemenswaardige rol, het verhindert dat een verkeerd belaste schaal omkukelt. Denk het weg en breng ook andere delen van het instrument terug tot hun essentie. Dan blijkt dat de brievenweger niets anders is dan een geknikte hefboom met ongelijke armen. De lange arm is vier keer zo lang als de korte, de hoek tussen de armen is ongeveer 45 (of 135) graden. Het contragewicht (van ongeveer 70 gram) trekt de hefboom linksom, het onbekende gewicht rechtsom. Neem je aan dat de armen zelf gewichtloos zijn en dat het schaaltje 20 gram weegt dan is de uitslag van de brievenweger voor elk gewicht te berekenen. Maar belangrijker nog is het inzicht dat de weegschaal zonder de knik niet zou werken. De knik is de crux.