Mathieu

Ik begrijp dat Sven Kramer, Mark Tuitert en Ireen Wüst nu de aandacht van de media opeisen – gedoodverfde olympische-medaillewinnaars in Sotsji. Goud op bestelling. Schaatsland Nederland is een wereldmacht. De luttele concurrentie komt van een verdwaald wicht uit de Chinese toendra.

Het mag geen naam hebben.

Schaatsen is gelukkig meer sport dan het achterlijke darts. Competitiekoorts, de sponsorcontracten zijn goed, de premies acceptabel. Een lintje kan er ook af. En Rintje Ritsma rijdt nog steeds Porsche.

Maar zijn het daarom echte wereldvedetten? Iconen voor de eeuwigheid? Marianne Timmer was in haar tijd erg sexy, maar ook weer niet zo sexy dat puberale zangkoren in het holst van de nacht onder haar balkon kwamen kwelen. Een Groningse versie van West Side Story, met Marianne als de begeerde Maria, zat er niet in. In wanhoop is ze uiteindelijk in de armen van een voetballer gevlucht – een keeper nog wel.

Cinematografisch stelt schaatsen niets voor. De Elfstedentocht had nog de kracht van een documentaire, maar voor de langebaan is een ouderwets mobieltje beeld zat.

De enige die tot filmdiva had kunnen uitgroeien, was Yvonne van Gennip. Medaillekoningin van Calgary. In 1988 in Haarlem ingehuldigd door een hysterische massa, kroonprins Willem-Alexander voorop. Yvonne had alles: gouden benen, pikante stijl, een hoofd om te zoenen, guitige teksten.

Noblesse: levenslang inzetbaar voor reclamespots, promotiefilmpjes en Rabolezingen.

Weggegleden in het wak van succes. Ondergedoken voor toeters en bellen. Begin 1992 trof ik haar voor een lang, innig gesprek. De kampioene was uit haar lichaam getreden. Haar gespierde schoonheid verduisterd achter een nevel van verdriet. Ze hoefde nog weinig, eigenlijk niets meer. Haar schaatsexploten herleidde ze tot mystieke dankgebeden aan God en – godbetert – aan het CDA.

Tot een zoen wou het niet meer gekomen. Ik sloeg die avond helemaal dicht. Reikte nog even een paar virtuele handen aan, maar Yvonne bleef in de wolken hangen.

Bang voor elk menselijk gebaar.

Terwijl ze nog steeds in gratie en schoonheid gebakken was. Maar het hart was dus door jubel voor ijzers aan stukken gereten.

Het zou haar nu beter gaan, zij het onverminderd gevoileerd als schaats- en staatsweduwe.

Nederland heeft een prachtig alternatief voor luie staatsglorie. 2014 wordt het jaar van veldrijder Mathieu van der Poel. Zoon van Adrie, kleinzoon van Raymond Poulidor.

Cocktail van genen voor een Tachtigjarige Oorlog.

In 2014 wordt de jonge Van der Poel een campionissimo zoals Nederland die in geen jaren meer heeft gekend. Veldrijder met kannibalistische trekjes. Wellicht de enige die Sven Nys uit zijn eindeloos orgasme van succes kan stoten.

Veldrijden is ten diepste een Nederlandse sport: modder, stront en boomwortels, vrieskou en sneeuw verknechten met een pedaalslag – kan het Hollandser? Hennie Stamsnijder maakte er in zijn tijd al een legende van.

Koketteren met Rio en Van Gaal is goedkope riedel. Sven Kramer omringd door dorpelingen op een aftandse carnavalskar: cliché-industrie.

Laten we ons in het nieuwe jaar rigoureus op Mathieu van der Poel storten. Nog steeds een onbekend ventje dat zelf nog moet wennen aan applaus en hymne. Maar wat een wonder van souplesse, acrobatie en kracht.

Veelvraat die alleen kruimels laat liggen.

Het zou een onnoemelijk schandaal zijn mocht Nederland geen triomfbogen aanrichten voor deze fantastische kampioen in een herculische sport als veldrijden. In zijn dooie eentje zal hij de saaie heerschappij van de Belgen breken.

Louis zal de balsem van zijn succes in dank aannemen, na de blamage van Oranje tegen de Rode Duivels in Rio.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.