Kasteloze Indiërs

De correspondent // Joeri Boom in India

‘Dat moet je meegemaakt hebben”, zei een westerse vriend, die net als ik in de Indiase hoofdstad Delhi woont. Hij doelde op de jaarlijkse herdenking in Mumbai van de sterfdag van dr Bhimrao Ramji Ambedkar, de held van de kasteloze Indiërs: de „onaanraakbaren”, die door hoger geplaatsten in de kastenhiërarchie als onrein worden beschouwd. Ze gebruiken inmiddels de geuzennaam ‘Dalits’: „de verpletterden”, en vormen ruim 16 procent van de bevolking. Hun held Ambedkar wist zich met grote volharding begin twintigste eeuw via studie op te werken. Hij wordt in India geëerd als vader der grondwet – doorgaans zonder zijn Dalit-afkomst te benadrukken.

„Ze zeggen dat er wel een miljoen Dalits komen”, zei de vriend. Dat moest ik zéker een keer meemaken, zoveel „verpletterden” bijeen. In de smeltkroes van India’s miljoenensteden zijn Dalits zo goed als onherkenbaar. Veel grootstedelijke hindoepriesters hebben het maar opgegeven ze uit hun tempels te weren. Maar op het platteland zijn tempels voor hen ontoegankelijk en mogen ze pas als anderen weg zijn gebruikmaken van publieke waterbronnen.

„Niet rechtstreeks naar iemands kaste vragen”, waarschuwde een Indiase vriend. „Dat kan echt niet.” Eerder vroeg ik hem of hij tot de Brahmanen behoorde, de allerhoogste kaste der priesters. Hij liet via omtrekkende bewegingen weten dat mijn veronderstelling klopte. Toen ik net in India was, belde ik met een politicoloog. Ik vroeg hem naar de ‘kastenpolitiek’ van de Bahujan Samaj Party (BSP), een middelgrote partij met leiders die zich strijdlustig laten voorstaan op hun Dalit-afkomst. De politicoloog liet een ijzige stilte vallen en zei toen: „U moet mij beloven dat u deze vraag nooit meer stelt. Aan niemand. Kastenpolitiek is verboden in ons land.”

Onder leiding van Ambedkar werd in de Indiase grondwet van 1947 een streep gezet door het kastenstelsel. Het maken van kastenonderscheid werd verboden en er werden fikse straffen afgekondigd voor kastendiscriminatie. Maar de werkelijkheid laat zich lastig naar de wet voegen. Nog in de jaren negentig woedde in deelstaat Bihar een bloedige kastenoorlog.

Enkele dagen voor de grootscheepse herdenking van Ambedkars sterfdag spreek ik in Mumbai met een sociologe aan het Tata Institute for Social Sciences. Ze legt uit dat de vier kasten zijn verdeeld in duizenden jati’s, beroepsgroepen, herkenbaar aan de achternaam. „Ontsnappen is moeilijk. De beste manier is je achternaam laten veranderen en verhuizen naar de stad. Gemengde huwelijken komen nauwelijks voor.”

Naar haar kaste durf ik uiteraard niet te vragen. „Ze is iets hoogs”, hoor ik een dag later van een van haar studentes, zelf een uitgesproken Dalit. Het „bewijs”: tijdens een college schreef ze op het bord de naam van Mohandas Gandhi, de Mahatma, volledig uit, maar van Ambedkar slechts de initialen. Gandhi was afkomstig uit de hoge Vaishya-kaste.

Op de herdenkingsdag stromen de Dalits Mumbai binnen. Ze komen in vrachtwagens en bussen, tot op de daken bepakt met mensen. Ze roepen „Jai Bhim” (‘de overwinning aan Bhim’ – Ambedkars koosnaam) en zwaaien met de veelkleurige vlag van het boeddhisme. Ambedkar werd boeddhist om te ontkomen aan het voornamelijk hindoeïstische kastenstelsel. Tegen de avond is het enorme Shivaji-park zo vol dat je er nauwelijks kunt lopen. Overal mensen. Op de straten, op de stranden, op de daken. Mijn vriend en ik zijn onder de indruk.

Het gaat steeds beter met de Dalits als groep. India had reeds een Dali-president, en enkele Dalit-ministers. Hun onderwijsniveau stijgt en ze zijn sterker dan ooit vertegenwoordigd in overheidsbanen. De positieve discriminatie voor Dalits en andere achtergestelde groepen, vastgelegd in Ambedkars grondwet, begint vruchten af te werpen.

Maar in de nationale media (gedomineerd door hogere kasten) geen woord over de massale herdenking. In een Engelstalig regionaal dagblad uit Mumbai staat wel een klein stukje. Over de apocalyptische verstopping van toegangswegen door de Dalits.