In statusverslaafd DC wil iedereen wat van je

De carrière van een vriendin uit Washington loopt als een trein. Ze was het brein achter een paar geslaagde Democratische campagnes. Ze stond kortgeleden met foto in The New York Times als ‘the new cool’ onder de Democraten. Het blog Politico schreef een profiel over haar. Ze laat het allemaal op haar smartphone zien. Hillary Clinton heeft al geïnformeerd naar haar diensten. In statusverslaafd Washington ben je dan iemand, en wil iedereen wat van je.

Ze is dus nooit thuis.

Twee kinderen heeft ze, van 6 en 4, die ze alleen opvoedt, maar vrijwel nooit ziet. Soms neemt ze hen mee op een van haar talloze vluchten door het land, op weg naar focusgroepen en fondsenwervers. Op Facebook plaatste ze een foto van haar 4-jarige zoontje, dat ’s avonds laat in de lobby van een hotel op de grond lag te slapen. Meestal rijdt een Zuid-Amerikaanse au pair de kinderen elke dag door hun volle agenda heen: school, gymnastiek, naschoolse opvang. Ze is van goede wil, maar heeft zich min of meer moeten loskoppelen van haar kinderen.

Ouders in het welvarende noordwesten van Washington moeten de opvoeding uitbesteden. Vrijwel altijd werken beide partners, en hebben ze krankzinnige werkdagen. De scherven thuis worden bijeengeveegd door nanny’s en au pairs, samen met de postbode de enige volwassenen die ik overdag in mijn buurt tegenkom.

Engagement is er genoeg in mijn omgeving. De meeste buren en vrienden zien zichzelf als professionele wereldverbeteraars. Milieubewuste Democraten, begaan met de wereld en hun omgeving. Hun engagement gaat wel altijd over mensen die ze niet kennen. De arme, zwarte bevolking van Oost-Washington. De tienermoeders daar, de HIV-epidemie. De kinderen die zonder ontbijt naar school gaan.

Een tijdje geleden zat er een groepje ouders uit Noordwest-Washington bij mij thuis, toen het succesvolle boek How Children Succeed ter sprake kwam. De auteur, Paul Tough, beschrijft hoe in het Amerikaanse onderwijs vooral cognitieve vaardigheden belangrijk worden gevonden. Tough verwerpt dat, en schrijft dat succes vooral merkbaar is bij kinderen met non-cognitieve vaardigheden, zoals impulsbeheersing, of doorzettingsvermogen.

Volgens Tough gaat het bij ouders in arme gezinnen vaak mis, omdat kinderen onder te hoge spanning staan: ze moeten al jong omgaan met drugs, verwaarlozing, geweld. Kinderen uit rijke gezinnen hebben volgens Tough een ander probleem: ze worden te weinig uitgedaagd, ouders lossen alles al voor ze op.

De ouders bij mij thuis waren het er allemaal mee eens. We doen het eigenlijk té goed, was de conclusie. Het succes van het boek verbaasde me niet. Het was kritisch, maar je kreeg er tóch een goed gevoel van.

Eén aanwezige protesteerde, een onderwijzeres die de achterstandsbuurten goed kent. Het idee dat grote problemen alleen voorkomen in de achtergestelde wijken van de stad, vindt ze elitair. Blanke welgestelden, zei ze, raken niet uitgepraat over de kinderen in de zwarte onderklasse. Voor al die problemen zijn projecten en commissies opgericht, waar de blanke ouders zelf weer in zitten. En als de zwarte gezinnen falen of uiteenvallen, dan staan de instanties klaar om in te grijpen.

Het heeft iets veiligs om zo over ‘wij en zij’ te praten, betoogde de onderwijzeres. Zij, dat zijn de mensen die falen. Wij, dat zijn de succesvollen.

Hier in Noordwest-Washington grijpt Jeugdzorg nooit in. Hier worden geen kinderen uit huis geplaatst, hier worden ouders niet naar een verplichte opvoedcursus gestuurd. Maar ook hier zie ik ouders die worstelen, die zoveel werken dat ze hun kinderen nooit zien. Het verschil is: zij werken niet tachtig uur per week bij McDonald’s, maar bij een goedbetaald campagnebureau. Mijn omgeving kan het eigen falen met geld voor een nanny compenseren.