In de stad Petra dineerden de levenden met de doden

In Petra, een woestijnstad in Jordanië, is een klassieke gevel in rots gehouwen. Het is niet de façade van een paleis, maar van een graf. Zoveel hadden de Nabateeërs over voor hun doden.

De film Indiana Jones and the Last Crusade uit 1989 maakte de Jordaanse woestijnstad Petra, nu onderwerp van een tentoonstelling in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden, bekend bij een groot publiek. Dankzij die ene scène waarin het in de rotsen uitgehakte grafmonument el-Khazneh met zijn Korintische zuilen veertig meter hoog oprijst. De meeste mensen weten niet dat het om een graf gaat, laat staan dat het is gebouwd door Nabateeërs. Dat volk kende zijn bloeiperiode tussen de eerste eeuw voor en de eerste eeuw na Christus. Het had zijn rijkdom te danken aan de hoofdstad die het had gebouwd op een kruispunt van handelskaravanen.

De Griekse geograaf Strabo schrijft in de eerste eeuw na Christus in zijn Geografika dat de Nabateeërs hun doden, zelfs hun koningen, op de mesthoop gooiden. „Het is de enige geschreven bron uit de oudheid over lijkbezorging bij de Nabateeërs,” zegt Lucy Wadeson, een Nieuw-Zeelandse archeologe van de Universiteit van Oxford. „De geleerden hebben deze passage nooit goed begrepen, gezien de pracht en weelderigheid van de in de rotsen uitgehakte façades van de tombes in Petra.”

Eeuw onderzoek

Wadeson doet onderzoek naar het grafritueel van de Nabateeërs. Al meer dan een eeuw wordt in Petra archeologisch onderzoek gedaan, maar Wadeson is de eerste die systematisch naspeuringen doet in en om de graftombes. „De stad is erg groot en onderzoekers hebben zich vroeger vooral op de façades geconcentreerd,” zegt ze vergoelijkend vanuit de Jordaanse hoofdstad Amman. Ze is net terug van weer een maand graven in Petra, een vervolg van de inventarisatie van graftombes die ze tussen 2005 en 2010 heeft gemaakt. „Van de zeshonderd heb ik er vijfhonderd kunnen onderzoeken. De rest is niet toegankelijk of te gevaarlijk om te betreden.”

Hoewel geschreven bronnen ontbreken, is het haar gelukt om meer inzicht te krijgen in het grafritueel van de Nabateeërs. Op basis van onderzoek van architectonische elementen in en om de tombes en enkele opgedolven graven komt ze tot de conclusie dat de Nabateeërs hun doden gewoon begroeven en juist grote zorg aan hen besteedden.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de grootte van de tombes: gemiddeld zijn ze ruim vijfendertig vierkante meter groot en bijna drie meter hoog. Een uitschieter is het Graf van de Urn, dat een oppervlakte heeft van 323 vierkante meter en maar liefst negen meter hoog is.

In de tombes, soms voorzien van zijkamers, waren vaak meerdere mensen begraven. „In schachten van wel drie meter diep”, vertelt Wadeson op basis van opgravingen in enkele tombes. „Het belangrijkste graf lag meestal in een alkoof tegenover de ingang van de tombe.”

Stank

De doden werden soms in houten kisten begraven. Gezien de resten van ongebluste kalk in de graven probeerden de Nabateeërs het ontbindingsproces van de lijken te versnellen. „Waarschijnlijk om stank in het warme klimaat te voorkomen.” In en om de graven zijn bijgiften als aardewerk, munten, sieraden, beeldjes en bellen aangetroffen. Ook waren er kleine, in de rots uitgehakte bekkens voor plengoffers. De graven waren afgedekt door een platte, op maat gesneden steen met daarop een soort cement en kleinere stenen. „Ze verzorgden hun doden dus goed en deden er veel aan om ze te beschermen.”

Ook de hulp van de goden werd ingeroepen, getuige kwaad afwerende beelden van slangen, adelaars en gezichten van mythologische figuren bij de ingangen van de tombes. In Egra, een andere Nabateïsche stad ten zuidoosten van Petra, die nu in Saoedi-Arabië ligt, zijn op de voorzijde van de tombes inscripties bewaard gebleven met spreuken die eventuele rovers vervloeken.

„Uit die inscripties blijkt ook dat de tombes bestemd waren voor families en bedoeld waren als eeuwig huis voor de doden”, zegt Wadeson.

Een van de belangrijkste conclusies van Wadesons onderzoek is dat in en rond dat eeuwige huis, dus in de nabijheid van de doden, regelmatig feestelijke plechtigheden waren. „Aan de buitenzijden van veel tombes zijn architectonische resten gevonden die duidelijk maken dat een tombe uit meer bestond dan alleen een façade en grafkamers. Bij een tombe hoorde een heel complex met een ommuring, portieken met colonnades, tuinen, waterbronnen en eetruimten met aanligbedden.”

Wierook

Die feestelijke maaltijden gingen gepaard met plengoffers en wierook branden. „In sommige triclinia, eetruimten, zijn graven aangetroffen. De scheidslijnen tussen de ruimten voor de doden en de ruimten voor de levenden waren blijkbaar dun.”

Wadeson moet daarbij denken aan de Bdul, de bedoeïenen die vlak bij Petra wonen. „Vroeger woonden ze in de tombes van Petra, maar in 1985 heeft de Jordaanse overheid ze ter bescherming van de archeologische monumenten overgebracht naar een nieuw dorp in de buurt. Ze komen nog steeds in de stad en gebruiken soms oude triclinia bij de tombes om te eten en te feesten. Ik ben wel eens uitgenodigd; dergelijke feesten brengen geuren, kleuren en geluiden met zich mee die even later weer zijn verdwenen. Dat heeft me doen beseffen dat we ons als archeologen ook geuren, kleuren en geluiden bij de rituelen van de Nabateeërs moeten voorstellen.”

Rest de vreemde passage van Strabo. Wadeson: „Hij had het verhaal uit tweede hand, van zijn vriend, de filosoof Athenodorus, die in Petra had gewoond. Mogelijk was hij geschokt door het feit dat bij de Nabateeërs de doden symbolisch deelnamen aan maaltijden en een belangrijke plaats in het leven bleven innemen.”

Peter Alstopp van Durham University zegt in zijn recent bij Brill verschenen proefschrift The Religious Life of Nabataea dat Strabo de Nabateeërs bewust heeft afgeschilderd als een bizar volk onder een dun laagje beschaving, omdat hij vond dat Rome er orde op zaken moest stellen. (In 106 na Christus werd Petra ingelijfd bij het Romeinse rijk.) Verder zou Strabo’s bron, Athenodorus, erom bekend staan dat hijniet de werkelijkheid beschreef, maar vooral wat hij geloofde te zien.