In de cel voel je je echt geen held

Ze voerde voor Greenpeace actie tegen olieboringen en belandde in een Russische cel. „Boze boeken schrijven doe ik wel als ik vijftig ben.”

Tekst Yasmina Aboutaleb en Jeroen van der Kris, foto’s Stefanie Grätz

Ze had haar moeder alleen verteld dat ze een tijdje weg ging met een schip. Maar niet waar naartoe. Over sommige acties van Greenpeace mogen medewerkers niet in detail praten. En ze wilde haar moeder niet ongerust maken. Dus toen die vroeg of het gevaarlijk was, wat ze ging doen, antwoordde ze: „Nee joh, maak je niet druk. De kans dat er iets fout gaat is erg klein.”

Dat was ook wat Faiza Oulahsen (26) eerst dacht. Greenpeace had eerder bij hetzelfde platform van het Russische Gazprom probleemloos actie gevoerd om te wijzen op het risico van olieboren in het Noordpoolgebied. Maar nu zetten de Russen 28 actievoerders en twee journalisten in een cel.

Oulahsen: „Je kunt wel zeggen dat je de beslissing zelf hebt genomen en dat je wist waar je aan begon. Maar naast ons waren er heel veel die mentaal óók in de gevangenis zaten: familieleden, kinderen, partners. Vooral voor mijn moeder was het heel zwaar. Ik kon geen telefoontje plegen om te zeggen: hé, komt wel goed. En om haar stem te horen.”

Ze geloofde niet echt dat ze vijftien jaar naar een strafkamp zou worden gestuurd; de maximale straf voor piraterij, waarvan de Arctic 30 beschuldigd werden. Maar anderhalf jaar in een cel, daar hield ze wel rekening mee. Door een amnestiewet kwamen ze kort voor het eind van 2013 vrij.

Vorige week kwam ze thuis in Amsterdam, vijf kilo lichter. „Ik ben 1 meter 68 en zit nu op vijftig kilo”, zegt ze. „Er moet echt wat vet terugkomen.”

En nu is ze een Bekende Nederlander. Mensen zeggen: „Goh, het zal wel zwaar zijn geweest”. Een paar Marokkaanse jongens zeiden: „Hé, jij bent toch van Greenpeace? Wauw, jij hebt toch in Rusland gezeten? Echt goed wat je doet hoor, gewoon doorgaan.”

Oulahsen: „Dat is wel heel lief. Maar tegelijkertijd ben ik ook mijn anonimiteit kwijtgeraakt. Ik kan niet zeggen dat ik daar nou op zat te wachten.”

Op stations hingen billboards van Greenpeace met een grote foto van je achter tralies tijdens een zitting.

„Ja, dat kreeg ik achteraf te horen.”

Ze hebben je dat toen niet gezegd?

„De communicatie is vrij stroef als je in de gevangenis zit. Maar onze collega’s hebben gewoon alles gedaan om aandacht te vragen voor de zaak en ons eruit te krijgen.”

Dus je vindt het goed dat ze dat gedaan hebben?

„Ik kan niet zeggen dat ik blij ben dat ik overal met mijn kop in bushokjes te zien was. Aan de andere kant: we waren ook vaak in het achtuurjournaal en in de krant, dus of het nu zoveel uitmaakt?

„Die billboards deden me denken aan de dagen dat het slecht met me ging. We zijn neergezet als helden. In de cel voel je je echt geen held.”

In de rechtszaal had je knalrode lippenstift op.

„Op een gegeven moment, half oktober, kreeg ik een tas van Greenpeace. Toen ik alles tevoorschijn haalde, dacht ik: hé, dit komt uit mijn appartement. Een trui, wat ondergoed, essentiële zaken, én een lippenstift. Daar moest ik zo hard om lachen. Dat is de humor van mijn huisgenootje. Zij is een ontzettend ijdele dame, die mij goed kent en weet dat ik altijd rode lippenstift draag. Je doucht maar twee keer per week, je hebt niet zoveel kleding. Ik ga echt niet zonder lippenstift naar een rechtszaal om er maar zo slecht mogelijk uit te zien.”

Wat was jullie ideale scenario?

„Ons plan was om het platform voor een bepaalde tijd stop te zetten. Dat kan ook. Als je daar klimmers plaatst – unauthorized personnel – dan kun je zo’n platform een week of drie platleggen, op een veilige, effectieve manier. Dan zet je Gazprom onder druk. Ze lopen inkomsten mis. En je schrikt andere investeerders af.”

Bij zo'n actie hoort toch een reactie? Denk je bij een helikopter boven je schip niet eerst: mooie publiciteit?

„Nee hoor, nee. Geloof me. Je denkt alleen aan de veiligheid van je mensen. Want het liep volledig uit de hand. Er werd geschoten. In de lucht, in het water. Er is zelfs een aantal schoten horizontaal gelost. Ik was aan het eten toen een van onze actievoerders schreeuwde. Helikopter! Helikopter! Ik rende meteen het dek op. Ik zag op tien meter een grote militaire helikopter boven het dek hangen. Achter mij het schip van de kustwacht, voor mij de ijsbreker die het platform bevoorraadt, en rechts nog een bootje van de kustwacht. Het was duidelijk: we gingen geënterd worden.”

Faiza Oulahsen groeide op in Mijdrecht, in wat ze noemt „een doorsnee Marokkaans gezin”. Met een vader die naar Nederland was gekomen om in een fabriek te werken. Een moeder die huisvrouw was. Twee broers, één zusje. Als kind hing ze posters in haar kamer van dieren die met uitsterven bedreigd werden. Na het vwo ging ze politicologie studeren, aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Ze was als vrijwilliger actief voor GroenLinks. Twee jaar geleden solliciteerde ze als campagneleider bij Greenpeace.

Van wie heb je dat maatschappelijke bewustzijn?

„Van niemand eigenlijk. Mijn ouders zijn wel vrij links, maar lang niet zo uitgesproken als ik. Ik denk dat ik de eerste in de familie ben. Laten we wel wezen: de meeste Marokkaanse gezinnen zijn vrij armoedig. Ik kom uit zo’n gezin. Niet dat ik me arm voelde. Maar breed heb je het niet. Ik denk dat het linkse daar misschien vandaan komt. De positie van vrouwen is ook anders. Meisjes worden heel beschermd opgevoed. De eer hangt heel erg aan de vrouw. Als je als vrouw iets verkeerd doet, is het één en al schande. Dat is gewoon hypocriet.”

Ben je daardoor gaan nadenken over hoe de wereld in elkaar zit?

„Ik heb mezelf niet op die manier geanalyseerd. Maar ik denk dat dat wel degelijk een rol heeft gespeeld.”

Ben je ook politicologie gaan studeren omdat je de politiek in wilde?

„Nee, want dan kun je alles studeren. En als je bij de PVV zit, heb je helemaal geen opleiding nodig. Maar ik heb altijd het idee gehad: ik wil mijn tijd spenderen aan iets waarmee ik de wereld een stukje beter maak – voor zover ik dat kan als individu. Dat is beter dan bij de pakken neerzitten en eindeloos cynisch zijn, zeiken als je het nieuws ziet, boze boeken schrijven. Dat doe ik wel als ik vijftig ben.”

Politieke partijen zijn nu vast wel geïnteresseerd in je.

„Ik ben door GroenLinks al gevraagd voor het Europarlement en daar heb ik voor bedankt. Ik vind niet dat je als 26-jarige in een parlement moet zitten. Er zitten soms twintigjarigen in de Kamer die nooit een normale baan hebben gehad. Sorry, denk ik: doe eerst even wat levenservaring op, zoek een baan, en ga dan pas de politiek in.”

Dat ze naar het noordpoolgebied wilde, zegt Oulahsen, had te maken met geloofwaardigheid. „Je kunt niet de plannen schrijven en vervolgens aan anderen vragen ze uit te voeren.”

Kun je achteraf niet zeggen: die actie was best succesvol? Jullie hebben ongelooflijk veel aandacht gehad.

„Dat zou ik niet zo zeggen. Iedereen van de Arctic 30 is afgevallen en erg bang geweest. Om dan te zeggen: goh, dit is geslaagd… Het ging om veel meer. Het ging om ons als persoon. Het ging om onze vrijheid. Ik weet niet in wat voor opzicht ik twee maanden gevangenschap een succes moet noemen.”

Heeft dit je veranderd?

„Ik heb heel wat levenservaring opgedaan. Ik kijk nu anders tegen m’n leven aan. In de cel heb ik heel erg nagedacht: als alles je ontnomen is, je vrijheid en alles wat daarbij hoort, pas dan besef je hoe goed je leven is.

„Ik heb nagedacht over m’n leven in de zin van: stel nou dat ik vijftien jaar had gekregen, had ik dan nog kinderen kunnen krijgen? Nou, dat denk ik niet. En ik dacht: ik ben nu 26, geniet ik wel genoeg van mijn leven?”

En?

„Ik denk dat ik nu meer ga genieten. Ik ben een workaholic, ik kan moeilijk een balans aanbrengen tussen werk en privé. Ik werk soms 70 uur in de week. In de cel dacht ik: ik kan nog steeds mijn werk goed doen én van mijn leven genieten.”

Krijgen jullie hulp?

„Alles is ons aangeboden: artsen, psychologische hulp. Maar ik zie dit niet als een trauma hoor, ik zie dit als een levenservaring die ik absoluut niet wil terugdraaien, hoe raar dat ook klinkt. En ik heb een bijzondere band met 29 anderen voor de rest van mijn leven. Voor mijn gevoel heb ik er familie bij gekregen. Dat vind ik echt een zegen.”

Waar hoop je over vijf jaar te zijn?

„Ik denk dat ik gewoon nog bij Greenpeace zit. Dan ben ik 31, ik denk dat ik tegen die tijd wel een kind wil hebben. Ik heb nu geen partner, maar ik zeg altijd tegen mezelf: begin 30 moet het eerste kind onderweg zijn. Ik wil geen oude moeder worden. Ja, sorry, dat had je misschien niet verwacht van iemand die op een schip gaat?”