Hoofd

Column // Georgina Verbaan

Ik lig in mijn hoofd op de grond. Het is hier vies. Ik had het drukker verwacht, maar er is niemand. Uit krakerige boxen klinkt non-stop het refrein van ‘By The Rivers of Babylon’. In het midden van de ruimte staat een bureau. Ik sta op om het te bekijken. Het ligt vol troep. Veel lege koffiekopjes en wijnglazen, maar ook bergen papier. Wie werkt hier? Ik pak een multomap. ‘Handboek Sociale Situaties’ staat erop geschreven met typex. Ik open het beduimelde ding en hop, er vallen allemaal bladzijden uit. De meeste hebben niets te maken met sociale situaties, hier. Een leeg wit vel. Op een ander is alles doorgekrast en met stift boven gezet EVEN BUITEN ROKEN. Er zijn ook twee polaroids uitgevallen, ik raap ze van de grond. Op één foto sta ik. Ik ben niet alleen en doe dingen op mijn aanrecht die niets met het bereiden van voedsel te maken hebben. Ik dwaal weleens af tijdens gesprekken, dat klopt.

Op de andere staat mijn huis in lichterlaaie, en zitten mijn drie katten met ogen als schotels en geopende bekjes achter mijn raam. Verschroeid.

Op het bureau liggen meer polaroids. Veel van mijn gasfornuis en van de sloten op mijn deur. Plots hoor ik geritsel achter me. Ik draai me om. Ja hoor, een komodovaraan. Die gaat hier dus de hele dag heel hinderlijk heen en weer lopen. Hoewel het aardig is om het woord in mijn hoofd nu eens te zien, snap ik niet dat hier verder niemand aanwezig is. Iemand moet structuur aanbrengen, de komodovaraan doodslaan en opeten, gordijnen opendoen, iets!

Ik loop zelf maar naar wat zooi in een hoek. Er ligt een slinger met letters. Ik hang hem op. ‘On the further bank the willows wept in perpetual lamentation, their hair about their shoulders.’ Wolf! Prachtig. Het is nog steeds deprimerend maar heeft wel schoonheid. Iets wat ik niet kan zeggen van de YouPorn-screenshots die uitgeprint tussen de poezenplaatjes aan de muur hangen. Gênant. Ik ruk ze eraf. Dan valt er een touwladder uit een luikje in het plafond. Twee glimmende zwarte lakschoentjes komen uit het luik en zoeken de ladder. Er komt een klein mannetje naar beneden geklommen. Hij schrikt als hij mij ziet. Ik schrik ook. Hij draagt zijn haar in een scheiding met veel pommade, ook heeft hij een snor. Verder lijkt hij exact op mij, maar dan kleiner. „Hoe bent u hier binnengekomen?”, vraagt hij. Wordt misschien vervolgd...