Hoe

slim

zijn dieren?

Diergedrag

Olifanten, dolfijnen en kraaien staan te boek als slim. Maar hoe bepaal je welke dieren intelligent zijn, als er geen definitie voor bestaat?

tekst Lucas Brouwers

Een ontsnapte koe in China weigert zich te laten vangen en valt aan. Foto Reuters

Olifanten herkennen zichzelf in de spiegel. Krokodillen bedekken hun snuit met stokjes om vogels te lokken. Kraaien maken twijgjes tot gereedschap. En ook weekdieren doen mee in de intelligentierace: recentelijk slaagden inktvissen voor een geheugentest.

In alle uithoeken van het dierenrijk duiken knappe koppen op. Gedragsbiologen schrijven vakbladen vol met sterke staaltjes dierlijk vernuft. Maar wat zegt al dat onderzoek nu werkelijk over dierlijke intelligentie? Hoe slim zijn dieren écht?

Een universele definitie van intelligentie hebben biologen niet, maar ze zijn het er wel over eens wat intelligentie niet is. Gedrag dat vooral is aangeboren, valt er niet onder. Neem het heremietkreeftje dat zijn te kleine schelp inruilt voor een grotere: niets wijst erop dat hij weet wat hij doet. Zijn gedrag is geworteld in instinct, niet intellect.

Ook aangeleerd gedrag beschouwen biologen niet als intelligent. De honden van de Russische bioloog Ivan Pavlov begonnen al te kwijlen toen ze een belletje hoorden rinkelen, omdat ze dat belletje al dagenlang hoorden als ze te eten krijgen. Gedragsbiologen noemen dit associatief leren. Inmiddels is duidelijk dat álle dieren op deze manier kunnen leren. Zelfs een fruitvlieglarfje kan een geur met een beloning associëren. Knap – maar niet slim.

„Intelligente dieren lijken een soort begrip te hebben van de fysieke wereld en de individuen om hen heen”, zegt evolutiebioloog Alexander Thornton, die onderzoek doet naar de cognitie van stokstaartjes en kauwtjes. Thornton noemt de wipsnavelkraai als voorbeeld van zo’n dier met een rudimentair begrip van materialen en natuurkunde. Kraaiachtigen zijn sowieso pienter, maar binnen deze groep is hij de onbetwiste intellectuele kampioen. Hij bewerkt twijgjes en bladeren om insecten en larven uit hout te peuteren. Biologen uit Oxford wilden weten of wipsnavelkraaien rechte of kromme stukjes ijzerdraad zouden kiezen om een emmertje vlees in een rechtopstaande plastic buis mee omhoog te hijsen. Maar labkraai Betty deed iets wat ze niet hadden verwacht: ze boog het rechte ijzerdraad om tot haak – terwijl ze nog nooit eerder met ijzerdraad had gewerkt.

Kraaien zijn ook sociaal gewiekst. Volgens Thornton hebben Californische gaaien iets wat lijkt op een theory of mind: een besef dat de de ander óók denkt. Net als veel andere kraaiachtigen verstoppen Californische gaaien voedsel voor later, voor in tijden van schaarste. „Maar als ze in de gaten hebben dat ze tijdens het verstoppen door een andere gaai worden afgekeken, verstoppen ze het voedsel later opnieuw”, zegt Thornton. „Een soort balletje-balletje. En dat doen ze alleen als ze in het verleden zelf een keer bestolen zijn.” Het bewijs is niet waterdicht, maar wel overtuigend, vindt Thornton.

Olifant voor de spiegel

Diana Reiss, hoogleraar psychologie aan Hunter College, is geïnteresseerd in zelfbewustzijn van dieren. Reiss toonde aan dat tuimelaars zichzelf kunnen herkennen in een spiegel, en deed daarna hetzelfde bij Aziatische olifanten, samen met primatoloog Frans de Waal. Eén van de olifanten die ze testte, tastte met haar slurf een kruis af dat Reiss boven haar oog had geverfd zodra ze in de spiegel keek. Niet op de spiegel, maar bij zichzelf.

Volgens Reiss kan de spiegeltest het bestaan van bewustzijn bij dieren onthullen. „De meeste apen en vogels die naar zichzelf in de spiegel kijken, zien niet zichzelf, maar een soortgenoot. Ze proberen contact te leggen met het dier in de spiegel, in een oneindige lus van sociaal gedrag”, zegt ze aan de telefoon. „Maar mensapen, dolfijnen en olifanten leggen het verband tussen hun eigen bewegingen en die van hun spiegelbeeld. Ze gebruiken de spiegel als gereedschap om naar delen van zichzelf te kijken die ze normaal niet kunnen zien, zoals hun mond en genitaliën.”

Reiss vergelijkt het bewustzijn van dolfijnen en olifanten met het ontluikende zelfbewustzijn van een kind. „In hun eerste levensjaar denken baby’s nog dat ze een andere baby in de spiegel zien. Maar als kinderen anderhalf tot twee jaar oud zijn, dan valt plots het kwartje: dat ben ik!”

Niet toevallig is dat ook het moment dat kinderen hun eerste empathische vermogens ontwikkelen, vindt Reiss. „Kinderen van deze leeftijd reageren bijvoorbeeld bezorgd als iemand valt. Het ontstaan van een besef van de ander en van zichzelf lijkt bij kinderen samen te hangen.”

Reiss ziet die betrokkenheid bij het lot van anderen ook terug bij intelligente dieren: „Olifanten trekken achterblijvers omhoog. Dolfijnen duwen dieren die dreigen te verdrinken naar het wateroppervlak, zelfs als dat geen soortgenoten zijn.”

Dat empathie verband houdt met intelligentie klinkt aannemelijk, maar Reiss geeft aan dat de empathische vermogens van olifanten en dolfijnen nooit systematisch zijn onderzocht.

Dat geldt voor meer prangende vragen. Proeven in het lab met een beperkt aantal dieren en verslagen uit het wild zijn vaak anekdotisch van aard. „En er bestaat een gewoonte om alleen de best presterende te rapporteren”, zegt de Brit Thornton. Dus misschien is het eurekamoment van Betty niet exemplarisch voor haar soort, maar het zeldzame inzicht van een briljante eenling.

Gedragsbiologen willen daarom uitzoeken hoe individuen van een soort en soorten onderling verschillen in intelligentie. Wat dat betreft zijn kraaien, olifanten en dolfijnen in cognitieve ranglijstjes een zegen voor intelligentieonderzoekers. Zij kunnen meer licht werpen op de vraag hoe intelligentie kon evolueren.

De menselijke lens

Thornton en Reiss voelen veel voor het idee dat intelligentie ontstaat onder druk van een complex sociaal leven. Sociale groepsdieren moeten voortdurend rekening houden met hun eigen positie en die van anderen. Dan moet er wel sprake zijn van sociale mobiliteit, zoals in groepen mensapen en dolfijnen, zegt Thornton: „Stokstaartjes zijn ontzettend sociaal, maar hun onderlinge relaties liggen vast. Er is één dominante matriarch. De enige manier waarop een ondergeschikt stokstaartje in de rangorde kan stijgen, is als haar moeder sterft.”

Andere biologen spreken van ‘Machiavellistische intelligentie’. List en bedrog zou hebben geleid tot de evolutie van de gehaaide intelligentie van kraaien. Weer anderen zien intelligentie in de eerste plaats als een aanpassing om meer eten te verzamelen, zoals mensapen en kraaien doen met hun gereedschap.

Wie alle intelligente dieren op een rijtje zet – olifanten, mensapen, dolfijnen, kraaien – valt nog iets op: het zijn dieren met een groot brein en met gedrag dat wij mensen herkennen als intelligent. „We kijken door een menselijke lens”, geeft Reiss toe. „Misschien zijn we totaal blind en doof voor intelligentie van een andere orde.” De collectieve intelligentie van insecten is goed onderzocht door entomologen, maar speelt amper een rol bij evolutie van intelligentie.

Ook Thornton vindt zijn veld te antropocentrisch. „We zijn slechte arbiters van onze eigen cognitieve vermogens, laat staan van die van dieren.”

Toch doen ze hun best. En misschien zullen we nooit echt weten hoe dieren denken. Maar dat dieren denken, leren, herinneren, plannen en redeneren, staat vast. Ieder op zijn eigen manier. Eigenschappen als bewustzijn, geheugen, inventiviteit en empathie zijn niet voorbehouden aan mensen. Intelligentie is overal.