Hij zei: stel nooit meer iets uit tot later

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Als ik terugdenk aan precies twee jaar geleden kan ik me bijna niet voorstellen dat ik ’t allemaal heb meegemaakt. Je kent de verhalen, je hebt ze wel eens gehoord, en je denkt: dat overkomt alleen anderen, mij niet. Wel dus.

„Berrie was al een paar maanden niet zo lekker. De huisarts dacht eerst: galstenen. Op 30 januari 2011 kreeg hij in het ziekenhuis te horen: alvleesklierkanker. Prognose: nog zes tot negen maanden te leven. Zes maanden en een dag later overleed hij.

„Ik kan me weinig herinneren van die eerste maanden na zijn dood. Er zit echt een gat in mijn geheugen. Later heb ik gelezen dat meer mensen hier last van hebben. Het is een symptoom van diepe rouw.

„Je hoort wel eens dat mensen zeggen: ik voel z’n aanwezigheid, z’n energie nog; ik ben nog steeds met ’m in gesprek. Ik heb het omgekeerde ervaren. Berrie was me-teen eindeloos ver weg. Als ik wakker lig en aan ’m denk, kan ik z’n gezicht niet meer voor me halen. Radeloos van verdriet heeft me dat gemaakt. Pas afgelopen november heb ik het abonnement van z’n mobiele telefoon opgezegd. Tientallen keren heb ik z’n nummer gedraaid om z’n stem te horen: ’Dit is de voicemail van Berrie’...

„Hij was een Bourgondiër. We hebben een enorme tuin bij ons huis. We waren altijd bezig met eigen groenten, met samen koken, zelf brood bakken, etentjes met vrienden, lekkere wijn erbij, eindeloos kletsen.

„Opeens viel dat allemaal weg. De kinderen zeiden: ‘Mam, je hebt nog nooit zo vies gekookt.’ Ik was de weg kwijt, letterlijk en figuurlijk. Soms stond ik in een winkel en dan schrok ik: hoe kom ik hier terecht, waarom ben ik hier? Ik had geen idee wat ik nodig had, ik kocht zomaar wat en thuis had ik geen idee wat ik ermee moest doen.

„Die etentjes waren zowat van de ene op de andere dag voorbij. En daarmee ben ik ook veel mensen kwijtgeraakt van wie ik dacht dat zij goeie vrienden waren. Rondom de begrafenis schreven of zeiden ze: ‘We zullen er zijn voor jou.’ Van de meesten heb ik daarna zowat niks meer gehoord.

„Ik geef toe dat ik zelf ook niet attent ben geweest in die eerste maanden na Berries dood. Weinig mensen opgebeld, of thuis uitgenodigd. Ik kón het niet, ik had er de energie niet voor. Van mijn familie, mijn broers, heb ik veel steun gehad – en nog steeds. Wekenlang heeft een vriendin hier in de buurt mij en Sara uitgenodigd om op zaterdag te komen eten. Een hele goeie vriendin uit Rotterdam heeft me bijgestaan. Maar de meeste mensen die hier regelmatig over de vloer kwamen, zie ik niet meer. Dat stak me in het begin wel. Nu denk ik: dat is voorbij, het was een fase in mijn leven die afgesloten is.

„Er speelde in ons gezin nog iets anders in het laatste halve jaar van Berries leven. Twee weken nadat we te horen hadden gekregen dat hij terminaal ziek was, zei mijn dochter van 18: ik ben zwanger. Het was geen ongelukje, het was een welbewuste keuze. Wij waren er niet blij mee.

„Mijn dochter had in de jaren ervoor een moeilijke weg afgelegd; ze leek ons te jong, en het evenwicht in haar leven te wankel, om een kind te krijgen. Ze woonde nog bij ons. Wij hebben toen resoluut gezegd: ‘Als je dit écht zo wilt, moet je gaan samenwonen met de vader van je kind. Dan kun je hier niet blijven wonen.’

„Dit klinkt misschien hard, maar ze is meerderjarig en haar vriend is vijf jaar ouder; wij vonden dat ze de gevolgen van hun keuze zelf moesten dragen. We zeiden ’t ook uit zelfbescherming. Een leven dat plotseling afloopt en nieuw leven, samen onder één dak – die combinatie zou ons te veel zijn en te onrustig voor Sara, die op dat moment nog twaalf jaar moest worden.

„Het kind is in november 2012 geboren. Gelukkig is mijn dochter een goeie moeder. Ze heeft haar eigen huis, hier vlakbij. Ik zie hen regelmatig, maar ze heeft nu inderdaad helemaal haar eigen leven.

„Intussen was ik, drie weken na Berries dood, weer gaan werken. De zomervakantie was voorbij, een nieuw schooljaar begon, ik dacht: nieuwe start. Maar in de herfst knapte ik af. De drukte van de school, de concentratie die je nodig hebt om een klas bij de les te houden – ik kon ’t niet opbrengen. Van november tot januari vorig jaar ben ik thuis geweest, waarna ik het werk weer langzaam heb opgebouwd.

„In februari ging een collega met ziekteverlof. Er kwam een vervanger. Na een week of zes zei een collega tegen mij: ‘Heb je gezien hoe Jos naar je kijkt?’ Het drong eerst niet tot me door. Ik was nog bezig met overleven, ik dacht écht dat het leven nooit meer iets moois voor mij te bieden zou hebben. Ik probeerde op de been te blijven voor Sara; over een toekomst voor mezelf kon ik niet nadenken.

„Op een avond had ik gezellig gegeten en gedronken met mijn goeie vriendin hier uit Tilburg. We hadden over Berrie en mijn verdriet gepraat. Er viel een stilte. Misschien wilde ik iets positiefs zeggen, ik weet niet wat me ertoe bracht, maar opeens flapte ik eruit: ‘Ik moet je nog iets anders vertellen: ik heb mijn nieuwe man ontmoet.’ Ik raakte totaal in de war. Ik kon geen woord meer uitbrengen, ik stamelde: ‘Vergeet het, ik weet zelf niet wat ik zeg.’

„Maar het hoge woord was eruit, ik durfde in te zien dat Jos ook gevoelens in mij had losgemaakt. Verwarrend, heel verwarrend. Toch heb ik Jos een mailtje gestuurd: ‘Zullen we eens wat drinken samen?’ Zijn antwoord was prachtig: ‘Graag! Ik zou zelf het initiatief niet hebben genomen, uit respect voor jouw verdriet.’

„Daarna is het snel gegaan. Enerzijds denk ik wel eens: té snel. Anderzijds denk ik aan Berrie, die in zijn laatste maanden zei: ‘Monique, stel nooit meer iets uit tot later. Het leven kan plotseling voorbij zijn.’ Een vriendin zei: ‘Berrie heeft daarboven gezien hoe radeloos je was en hij heeft snel een andere lieve man op je pad gestuurd.’ Zou het?”

Gijsbert van Es

Reacties via nrc.nl/hetnabestaan Twitter: #nrc #hetnabestaan