Het had heel anders kunnen lopen

Margaret MacMillan buigt zich in 1914 – onder heel veel meer – over de vraag of de Grote Oorlog onvermijdelijk was.

Duitse soldaten in opmars in Oost-Pruisen, augustus 1914, met links een briefkaart van het Franse leger en rechts een Duitse poster met geüniformeerde vijanden aan het westfront, bedoeld als handleiding voor Duitse militairen om hun tegenstanders te herkennen. De beelden zijn afkomstig uit het boek1914-1918. De Eerste Wereldoorlog herdacht.

In 1900 was de Eerste Wereldoorlog nog heel ver weg. Op de Wereldtentoonstelling die dat jaar in Parijs werd gehouden, blaakte het oude Europa van zelfvertrouwen, zo begint de Canadese historica Margaret MacMillan (1943) haar monumentale 1914. Hoe Europa de vrede liet varen voor de Eerste Wereldoorlog.

De negentiende eeuw was na de nederlaag van Napoleon voor Europese begrippen vreedzaam verlopen en de industrialisering had steeds meer welvaart gebracht. En hoewel de Verenigde Staten een grootmacht in opkomst waren, bepaalden de grote Europese landen nog altijd hoe het er in de wereld aan toe ging.

De Europese toekomst zag er op de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs dan ook stralend uit. In het Palace d’ Electricité stonden de elektromotoren die in het komende tijdperk van de machine Europa ongetwijfeld nog meer welvaart zouden brengen. En de steeds nauwere handelsbetrekkingen tussen de Europese landen zouden de vrede bestendigen, zo geloofde men.

Maar veertien jaar later brak de Eerste Wereldoorlog uit, die leidde tot miljoenen doden en gewonden, verwoeste steden en gebieden, economische neergang en het einde van de drie Europese keizerrijken Duitsland, Rusland en Oostenrijk-Hongarije. Hoe de stralende toekomst van Europa uitliep op een catastrofe, laat MacMillan buitengewoon gedetailleerd zien in 1914. Veel van de details die ze geeft, zijn origineel en vermakelijk. Zo citeert ze in het hoofdstuk over het toenemende nationalisme in Europa een gedegen Frans onderzoek dat zou aantonen dat Duitse mannen veel meer geneigd zijn tot homoseksualiteit dan Franse. En bovendien dat homoseksuelen, meer dan heteroseksuelen, van de muziek van de oer-Duitse componist Richard Wagner houden.

Leerstuk

Maar soms schudt MacMillan de details wel erg slordig uit de losse pols. Het leerstuk van de ‘creatieve destructie’ van het kapitalisme schrijft ze bijvoorbeeld toe aan de grondlegger van het socialisme, Karl Marx. Terwijl dit juist de kern is van het betoog waarmee de Oostenrijkse econoom en antimarxist Joseph Schumpeter wilde aantonen dat het kapitalisme niet aan zijn ‘innerlijke tegenstrijdigheden’ ten onder zou gaan, zoals Marx zei, maar steeds zorgt voor zijn eigen vernieuwing.

De schilder Giacomo Balla noemt ze een ‘Italiaanse constructivist’, terwijl hij een vooraanstaande futurist was die oorlog beschouwde als ‘de enige hygiëne op aarde’. En twee keer moet de lezer van 1914 lezen dat de Amerikaanse president Kennedy in 1962 tijdens de Cuba-crisis, anders dan de Europese politieke leiders aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, niet luisterde naar de militaire experts die hem voorhielden dat een aanval de enige mogelijkheid was.

Het lijkt er veel op dat MacMillan, achterkleindochter van de Britse premier David Lloyd George, die in 1919 deelnam aan de vredesbesprekingen in Parijs, haast heeft moeten maken om 1914 voor het begin van 2014 af te krijgen. Overigens schreef MacMillan over die vredesbesprekingen, waarbij Duitsland als schuldige van die oorlog werd aangewezen, tien jaar geleden al het veelgeprezen Paris 1919.

Door de uiterst gedetailleerde beschrijving van de internationale verhoudingen en diplomatie lijkt 1914 sterk op het vorig jaar verschenen Slaapwandelaars. Hoe Europa in 1914 ten oorlog trok (besproken in Boeken op 5 april 2013) van de Australische historicus Christopher Clark. Maar terwijl Clark zijn blik vooral richt op de ontwikkelingen op de Balkan en in Rusland en zo zorgt voor een nieuwe visie op het begin van de Eerste Wereldoorlog, houdt MacMillan, zoals de meeste historici voor haar, zich in 1914 vooral bezig met West-Europa en de verhoudingen tussen de grote mogendheden: Engeland, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland. Hierdoor mist 1914 de brille en slimheid van Slaapwandelaars. Ondanks zijn bewering dat hij niet is geïnteresseerd in de schuldvraag van de oorlog, geeft Clark hierop toch een ander dan gebruikelijk antwoord en wijst naast Duitsland ook Rusland als hoofdschuldige aan.

In 1914 volgt MacMillan de gewoonlijke chronologie van de jaren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Keurig netjes wijdt ze hoofdstukken aan de Marokko-crises en Balkanoorlogen. Daarvoor heeft ze al minutieus verslag gedaan van de politieke en economische ontwikkelingen in alle grote landen, en van de internationale betrekkingen. Hierbij geeft ze korte biografieën en karakteriseringen van veel politieke en militaire leiders.

Ook hierbij is ze niet altijd even trefzeker. Over Edward Grey, in 1914 de Britse minister van Buitenlandse Zaken, schrijft ze bijvoorbeeld dat het bij zijn politieke werk hielp dat hij op een Romeinse senator leek. Nu waren er in het oude Rome natuurlijk senatoren in vele soorten en maten, zodat niet duidelijk is wat ze precies bedoelt, maar met het lusteloze uiterlijk dat ze Grey twee alinea’s verder toedicht, associeer je een Romeinse senator in ieder geval niet.

Vermolmde dubbelmonarchie

Uiteindelijk biedt 1914 ondanks het duizelingwekkende aantal details weinig nieuws over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Zoals in zo veel geschiedenissen van de aanloop naar die oorlog is Oostenrijk-Hongarije de vermolmde, bureaucratische dubbelmonarchie die tot ondergang is gedoemd en niet de levensvatbare multiculturele staat die sommige hedendaagse historici er in zien.

Anders dan in Slaapwandelaars is Servië ook niet een schurkenstaat waar de staatsinstellingen zijn verweven met terreurorganisaties als de Zwarte Hand, die verantwoordelijk is voor de fatale aanslag op de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie in Sarajevo op 28 juni 1914, maar een vrij normale, nieuwe staat op de Balkan waar politici slechts hun greep op nationalistische idealisten hebben verloren. En van alle oorlogslanden is in 1914 Duitsland weer verreweg het agressiefst en brutaalst en is keizer Wilhelm II het grillige, botte, protserige Duitse staatshoofd dat hij in bijna alle geschiedenissen van de Eerste Wereldoorlog is.

Toch is 1914 op één punt wel buitengewoon en dat is de grote nadruk die MacMillan legt op de individuele beslissingen en opvattingen van de betrokken leiders. Cruciaal voor het uitbreken ervan acht MacMillan de ‘vlootwedloop’ waarmee Duitsland in het begin van de twintigste eeuw begon om een met Groot-Brittannië concurrerende zeemacht te worden. Hoofdrol hierin speelde Alfred von Tirpitz, de Duitse admiraal en minister van Marine, die geloofde dat moderne oorlogen op zee, en niet op het land, worden beslist. Gesteund door keizer Wilhelm II wist hij steeds grotere budgetten voor de bouw van oorlogsschepen door de Rijksdag aangenomen te krijgen. De vlootwedloop vertroebelde de verhoudingen tussen Groot-Brittannië en Duitsland en maakte een verbond tussen de twee landen onmogelijk.

Het had allemaal heel anders kunnen lopen, schrijft MacMillan, waarmee ze zich schaart onder de vele historici die de Eerste Wereldoorlog niet als iets onvermijdelijks beschouwen. Zonder de vlootwedloop was een verbond tussen de twee landen heel goed mogelijk geweest. Groot-Brittannië en Duitsland waren elkaars grootste handelspartners en hun belangen sloten op elkaar aan: Duitsland was de sterkste mogendheid op het continent, Groot-Brittannië de grootste zeemacht. Maar door het geloof van twee agressieve machthebbers in de doorslaggevende rol van zeemacht in een oorlog ging het zoals het ging. „De vlootwedloop laat zien hoe belangrijk individuen in de geschiedenis zijn”, zo besluit MacMillan haar hoofdstuk over de fatale wapenwedloop in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog.