Help! Het ware framily-gevoel!

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: een hechte vriendenkring.

Als ik vroeger op zaterdagavond met lipgloss, gevijlde nagels en geföhnd haar, zorgvuldig geparfumeerd en onthaard, vol van verwachting naar de stad ging, sprak mijn vader altijd dezelfde waarschuwende woorden. „Je weet het hè: dat je vader niet rijk is, daar kun jij niks aan doen. Maar dat je schoonvader niet rijk is....” Hij maakte de zin nooit af, maar het was duidelijk wat me te doen stond.

Rijk ben ik niet geworden, maar dat je je familie niet zelf hebt uitgekozen, vind ik nog altijd een geruststellende gedachte. Nu hoef ik tenminste niemand uit te leggen waarom ik op Eerste Kerstdag aan tafel zat met links van mij een paranormaal coach en rechts de auteur van het succesvolle managementboek Knuffel de klant. Als ik zelf mijn familie had kunnen uitzoeken, dan had ik de kerstham natuurlijk gedeeld met – ja, met wie eigenlijk?

Mijn hele leven heb ik verlangd naar een hechte vriendenkring: een groep zielsverwanten die samenklit op bruiloften en begrafenissen en twee jaar vooruit een vakantie naar Bali boekt. „Ik ken alle vrouwen die zij is geweest”, zegt de 71-jarige Maarten Klein in Bernlefs Hersenschimmen over zijn vrouw. Net zo zouden mijn vrienden aan het eind van mijn leven al mijn gedaanten kennen – en ik die van hen.

Het gemis kreeg een naam toen ik vlak voor Kerst in NRC Handelsblad het woord las voor zo’n zelfgekozen familie: een framily.

Ik heb ervaring met framily’s. Als ik mijn digitale fotoarchief op orde zou hebben, dan zou ik u een foto kunnen laten zien waarop ik op een zomerse dag in een kruiwagen keihard door een Brabantse tuin wordt gereden. Langs het geïmproviseerde wedstrijdparcours staan creatievelingen van middelbare leeftijd met hun rommelige kinderen te joelen en te klappen. Later op de dag zullen we garnalen van de grill eten en nog meer champagne drinken. Ik ben dol op die framily. Het is alleen niet de mijne. In de perfect vormgegeven fotoalbums van hun wintersportvakanties, kom ik niet voor. Het is de framily van mijn middelbareschoolvriendin.

Ik kom ook graag bij de acteursframily van mijn liefste vriendin. Met Oud en Nieuw eten we eend en zitten we rondom een gitaar. Van de Beatles-liedjes die ze zingen, ken alleen ik de woorden niet.

En zo zijn er nog wel wat framily’s waar ik graag verkeer, maar waar ik altijd bang ben uiteindelijk als koekoeksjong uit het nest te vallen.

Ik weet ook wel dat zo’n framily net zo verstikkend kan zijn als een echte familie. Vroeg of laat wil de een met de partner van de ander naar bed of ontstaat er heibel omdat iemand – en dat wordt vaak nog veel erger gevonden – cola (!) schenkt aan de kinderen. Maar die toestanden heb ik er graag voor over.

Althans, dat dacht ik altijd. Totdat in het artikel over framily’s iemand de essentie uitlegde: „Het bij elkaar kunnen binnenlopen zonder afspraak, op elk moment van de dag, en zonder speciale reden, geeft dat familiegevoel.”

Nee! Lig ik net op de bank te lezen in Moranthologie, van de verwoestend grappige Britse columnist Caitlin Moran, komt er een zootje ongeregeld met een aangebroken fles wijn en moddervoeten mijn trap op stormen. Voor de gezelligheid! Het liefst zou ik dan wijdbeens boven aan het trapgat gaan staan, hen de doorgang versperren en roepen: Stop precies daar! Maar dat zou ik – omwille van het familiegevoel – vermoedelijk niet durven. Quelle horreur.

Zo verzoende ik me op de valreep van het vorig jaar eindelijk met wie ik ben: een tevreden framilyhopper.