Helden van de revolutie gijzelen Libië nu zelf

Na de val van Gaddafi nam de nieuwe Libische regering duizenden ex-rebellen in dienst. De afgelopen twee jaar zijn die uitgegroeid tot milities die het gezag van de staat ondermijnen. „Geld uitdelen aan de strijders is de grootste stommiteit die we begaan hebben.”

In de weelderige balzaal van het Waddanhotel in Tripoli zijn burgemeesters uit het hele land bijeen om uiting te geven aan hun grieven over ‘het nieuwe Libië’. De burgemeesters zijn de voorzitters van de lokale besturen die na de val van Moammar Gaddafi in 2011 overal spontaan zijn opgericht.

Die uit het zuiden van het land klagen over het gebrek aan grenscontrole, waardoor Afrikaanse migranten binnenstromen en wapens het land uitgaan. Die uit het oosten klagen over de onophoudelijke reeks moorden in Benghazi, toegeschreven aan radicale islamitische groeperingen. Die uit het westen klagen over de gewapende milities die meer dan twee jaar na de oorlog de dienst uitmaken op straat.

Een wethouder uit Kikla, een stadje in de Westelijke Bergen, zo’n 100 kilometer ten zuiden van Tripoli, heeft een heel specifieke klacht. Zijn burgemeester is samen met een deel van het stadsbestuur ontvoerd door gewapende mannen van de Warshefana-stam, die de vrijlating eisen van een crimineel die tot hun stam behoort. Later die avond zal een delegatie van burgemeesters naar de Warshefana-stam trekken voor overleg. De man uit Kikla gaat niet mee: „Straks houden ze mij daar ook nog vast.”

Alle klachten van de burgemeesters komen op hetzelfde neer: ze zijn er gefrustreerd over dat de Libische regering er maar niet in slaagt om de gewapende milities, die de erfenis zijn van de oorlog tegen Gaddafi, onder controle te krijgen.

Twee jaar geleden zag het Waddanhotel er heel anders uit. Na de val van Tripoli in augustus 2011 was het gevorderd door strijders uit Misrata, een havenstad 200 kilometer ten oosten van Tripoli. Dat de Misrata-strijders in Tripoli waren – men had het toen nog niet over milities maar over ‘katiba’s’ of brigades – kon niemand zijn ontgaan. De strijders parkeerden hun zwart geschilderde pick-uptrucks voor het hotel en brachten hun avonden door met in de lucht schieten met de wapens die ze hadden buitgemaakt op het leger van Gaddafi. De straat van het hotel hadden ze met graffiti omgedoopt tot Misratastraat.

De inwoners van Tripoli vonden dat toen best. Misrata had een hoge tol betaald: tijdens het maandenlange beleg van de stad door de troepen van Gaddafi vielen meer dan duizend doden. De Misrata-strijders waren de helden van de revolutie. Het probleem is dat ze nooit meer zijn weggegaan. Twee jaar later is Misrata dan ook de enige stad die geen uitnodiging heeft gekregen voor de conferentie van burgemeesters.

Tussen Tripoli en Misrata botert het al langer niet. Het was burgemeester Sadat Elbadri die op 15 november de burgers van Tripoli opriep tot een demonstratie om het vertrek van de Misrata-militie uit Tripoli te eisen. Aanleiding was een zoveelste schietpartij tussen militieleden uit Tripoli en Misrata, waarbij vier doden waren gevallen.

Duizenden, aanvankelijk ongewapende burgers trokken naar de buurt Gharghour, waar de Misrata-militie een basis heeft. Toen ze daar kwamen, opende de militie het vuur met zware wapens. Het dodental staat inmiddels op 52. Het bloedbad zorgde voor zoveel verontwaardiging, dat het lokale bestuur van Misrata haar strijders op 17 november het bevel gaf Tripoli te verlaten.

Voor het eerst zagen de inwoners van de hoofdstad geen leden van milities maar soldaten van het nationale leger posities innemen. „Het werk zit er voor de helft op”, zegt Elbadri tevreden. „We hebben de Misrata-militie de stad uitgejaagd.”

Anderen zijn minder optimistisch. „Het lijkt nu wel of het leger de milities uit Tripoli heeft verjaagd”, zegt Hanan Saleh, onderzoekster van Human Rights Watch in Libië. „Maar dat klopt niet. De milities zijn uit eigen beweging vertrokken, met hun zware wapens nog intact. Het leger heeft lege kazernes bezet. Dit wil zeggen dat de milities op elk moment kunnen terugkomen.”

Saleh maakt zich grote zorgen. „We staan op de rand van de chaos en er zijn weinig tekenen dat de situatie zich stabiliseert.” De NAVO draagt volgens haar een grote verantwoordelijkheid. „Zij heeft het regime van Gaddafi ten val gebracht. Waarom was er geen concreter plan voor het tijdperk na Gaddafi?”

Arabische lente

En dat terwijl Libië het succesnummer van de Arabische Lente had moeten zijn – een land dat rijk genoeg is om elke inwoner een villa met zwembad cadeau te doen, en dat geen sektarische tegenstellingen kent zoals Syrië of Irak. Het enige land ook waar niet de Moslimbroederschap, zoals in Egypte en Tunesië, maar de liberalen de eerste vrije verkiezingen wonnen.

Hadden die sympathieke jonge strijders destijds niet plechtig beloofd dat zij de wapens zouden neerleggen zodra Gaddafi verdreven was? Ze hadden helemaal geen zin in oorlog, zeiden ze. Ze konden niet wachten om terug te keren naar hun werk of hun studie.

Maar de praktijk is anders: veel leden van milities – naar schatting zo’n 200.000 – staan sinds het einde van de oorlog op de loonlijst van de overheid. Geld geven aan iedereen die erom vroeg, was een gemakkelijke oplossing – makkelijker in ieder geval dan banen creëren. Libië kon het zich ook permitteren. En dus mocht iedereen die zei dat hij had meegevochten op vakantie naar vijfsterrenhotels in Turkije of Tunesië op kosten van de staat.

„Geld uitdelen aan de strijders is de grootste stommiteit die we begaan hebben”, zegt burgemeester Elbadri. „Plotseling was iedereen een frontliniestrijder.”

Ali Mohammed Mihirig beaamt dat. Mihirig is minister van Elektriciteit en lid van het crisiscomité dat als taak heeft om de milities te ontbinden en te ontwapenen. Hoeveel mannen daadwerkelijk gevochten hebben in de oorlog tegen Gaddafi is niet met zekerheid te zeggen.

Maar er waren slechts drie actieve frontlinies, met op elke frontlinie enkele duizenden strijders. Bij de overheid meldden zich veel meer ‘strijders’: „Zo’n 750.000”, zegt Mihirig wrang. „Er zijn mensen die drie, vier salarissen ontvangen van de overheid zonder daar iets voor te doen.”

Gaandeweg werd die vrijgevigheid een probleem. Volgens recente cijfers staan er 1,7 miljoen mensen op de loonlijst van de overheid, van wie tussen de 200.000 en 300.000 meer dan één keer. Dat kostte de staat zo’n 15,6 miljard euro, 42 procent van de totale begroting en 11 miljard euro meer dan in 2010, het laatste jaar van het Gaddafi-regime. Dat verschil zit hem met name in de militieleden die nu op de loonlijst staan.

Door de ex-rebellen te blijven betalen heeft de regering een monster van Frankenstein gecreëerd. Aanvankelijk was het een noodzakelijk kwaad: de regering had de ex-rebellen nodig om de openbare orde te bewaken. Maar toen het tijd werd dat Libië een heus leger en een politieapparaat kreeg, bleek dat de milities zich niet zomaar lieten ontwapenen.

In het oosten van het land zijn ze machtsinstrumenten geworden in handen van de Moslimbroeders of nog radicalere groeperingen. In het zuiden en het westen spelen vaak tribale motieven: de ene stam wil zijn zware wapens niet afgeven tot de naburige stam dat ook doet. Vaak zijn er financiële of criminele belangen in het spel. „Sommige van die milities worden gerund als een onderneming”, zegt Mihirig. „Ze verdienen veel geld en hoe langer ze blijven zitten, hoe moeilijker het is om ze weg te krijgen.”

Alle pogingen om de milities te demobiliseren zijn tot dusver mislukt. Dat kwam vooral omdat de milities in hun geheel opgenomen werden in het leger, met behoud van hun eigen bevelhebbers. Daardoor vielen ze formeel wel onder het ministerie van Defensie, maar bleven ze verder doen waar ze zelf zin in hadden.

Volgens Mihirig wordt dat dit jaar allemaal anders. Op 31 december is nieuwe wetgeving van kracht geworden, die bepaalt dat alle milities in Tripoli en Benghazi ontbonden moeten worden. De regering zal ook alle directe betalingen aan de milities stopzetten, zegt Mihirig. „Het probleem was dat het beter betaalde om lid te zijn van een militie dan in het nationale leger te gaan. Dat houdt op. Tegelijk gaan we de integratie van de individuele militieleden in het leger versnellen.”

Zwakke structuur

Dat klinkt mooi, maar er is weinig reden om aan te nemen dat dit allemaal gaat lukken. VN-rapporteur Tarek Mitri was in ieder geval sceptisch in zijn rapport aan de Veiligheidsraad op 9 december. „Hoewel de regering snel legereenheden heeft gevormd in Tripoli [na het vertrek van de milities in november, red.] blijft de zwakke structuur van leger en politie een groot probleem”, schreef Mitri. „Het is ook twijfelachtig of de recente maatregelen een blijvend karakter zullen hebben.”

Nog een reden waarom Mihirigs optimisme met een korrel zout moeten worden genomen, is dat de Libische regering voor het eerst met liquiditeitsproblemen kampt. Dat komt doordat de belangrijkste olieterminals in het oosten van het land sinds juli bezet worden door milities van de federalistische beweging. Dat is een splintergroep die meer autonomie eist voor Cyrenaica, het oosten van Libië. Sindsdien is de Libische olie-export gedaald van 1,5 miljoen vaten per dag tot 250.000 vaten. Het verlies voor de regering in Tripoli wordt op 7 miljard dollar geraamd. De vraag wordt dan: als een regering mét geld er niet in slaagde om de milities tot de orde te roepen, wat zijn dan de kansen dat een armlastige regering dat wel zal lukken?

Een probleem is ook dat de Libische regering nog weinig krediet heeft bij de bevolking. „Ze heeft tot dusver niets gedaan om loyaliteit te verdienen”, zegt Khaled Mattawa. Toen de revolutie in Libië begon woonden Mattawa en zijn vrouw Reem Gibriel in Michigan, waar hij aan de universiteit doceerde. Begin 2012 keerden ze terug naar Tripoli, waar ze Ariti oprichtten, een stichting die films vertoont.

Onder Gaddafi waren bioscopen verboden, en twee jaar na zijn val is er in het hele land nog altijd geen bioscoop. Na het bloedbad in Gharghour trokken de Mattawa’s met hun filmprojector naar het Algerijeplein in het centrum van Tripoli, dat toen was volgestroomd met bezorgde burgers die het vertrek van de gewapende milities eisten.

Had het wat langer geduurd, dan was de beweging mogelijk de geschiedenis ingegaan als de ‘brioche-revolutie’. Brioche – een soort croissant – is de bijnaam die de andere Libiërs hebben voor de inwoners van Tripoli omdat zij die graag eten. In het post-Gaddafi-tijdperk is brioche een scheldwoord geworden. „Als Misrata ons brioche noemt, weten we dat zij eigenlijk zeggen dat wij mietjes zijn, of homo’s”, zegt een jonge Libiër die liever niet met zijn naam in de krant wil.

In november maakten de Tripolitanen er een geuzennaam van. Op het Algerijeplein werden gratis brioches uitgedeeld. De actie gaf hoop: het was voor het eerst dat de inwoners van Tripoli wakker schrokken. In Benghazi en Derna, in het oosten, waren de mensen wel de straat op gegaan om tegen de islamitische milities te protesteren, in Tripoli tot dan toe nog niet.

Maar de beweging bloedde snel dood: na een week liep het Algerijeplein leeg. Volgens Mattawa kwam dat onder meer door de zware regenval, die overstromingen veroorzaakte, en de mysterieuze brandstofcrisis, waardoor mensen urenlang in de rij moesten staan bij de benzinestations. Maar het kwam vooral door de heersende apathie. „Na de val van Gaddafi was er zoveel passie. Alles ging anders worden”, zucht Gibriel. „Nu is er vooral teleurstelling. Niemand had verwacht dat de milities zo’n groot probleem zouden vormen.”

Nee, een tweede revolutie was het niet, geeft ze toe. „Er is ook niets wezenlijks veranderd. De milities houden zich alleen gedeisd voor het moment. Maar we moeten doorgaan. Als wij het beetje ruimte dat wij hebben ingenomen opgeven, zullen ze die opnieuw innemen.”

Ordentelijke stad

Tripoli is, zeker nu de milities zich voorlopig schuilhouden, een vrij ordentelijke, zelfs een beetje saaie stad. Het verklaart een deel van de apathie. Het in de lucht schieten heeft plaatsgemaakt voor vuurwerk. Vrijwilligers regelen het verkeer, en de automobilisten volgen hun bevelen braaf op.

Maar zo nu en dan worden mensen er weer aan herinnerd dat niets is zoals het hoort. Zoals toen premier Ali Zeidan op 10 oktober kort ontvoerd werd uit een luxehotel in Tripoli. Aanleiding was toen de arrestatie in Tripoli door de Amerikanen van Anas Al-Liby, een militant van Al-Qaeda.

Of toen Tripoli in september een week zonder water zat. Een militieleider met banden met de fundamentalisten had de 20-jarige dochter ontvoerd van Abdallah Senussi, de chef van de inlichtingendienst onder Gaddafi die momenteel zijn proces afwacht. De stam van de Senussi’s in het zuidelijke Sabha sloot daarop de watervoorziening voor Tripoli af tot Senussi’s dochter werd vrijgelaten.

Hoeveel werk er nog aan de winkel is, blijkt ook tijdens een bezoek aan Misrata met een jonge man uit Tripoli, die niet met zijn naam in de krant wil. In november werd hij zelf ontvoerd door de Misrata-militie, toen hij in Gharghour was tijdens de gevechten daar. Hij werd mishandeld en bedreigd.

Tegelijkertijd doet hij wel zaken met Misrata: hij gaat er in de haven gesmokkelde Griekse sigaretten kopen, die hij voor meer geld verkoopt in Tripoli. Dus hij vond het geen probleem om mee naar Misrata te gaan. Maar uitgerekend in het gebouw van het gemeentebestuur, dat zich officieel heeft gedistantieerd van de militie die in Gharghour het vuur opende op de betogers, komt een man op hem af. „Heb ik jou niet gezien in Gharghour”, vraagt hij dreigend. De jongen uit Tripoli zweert bij hoog en bij laag dat hij toen in Tunesië was. „Ik was dronken die dag, misschien vergis ik mij”, zegt de man uit Misrata uiteindelijk. Even later, in wat een kazerne van het nationale leger hoort te zijn, herkent de jongen uit Tripoli opnieuw een van zijn ontvoerders in Gharghour. We besluiten het bezoek voortijdig af te sluiten.

In een koffietent in Misrata wil de 24-jarige Ahmed Omran wel het standpunt van Misrata vertolken. Ahmed is een neef van Nuri Firwan, een militieleider uit Misrata die in november werd doodgeschoten tijdens een ruzie bij een controlepost van een rivaliserende militie in Tripoli. Het was Firwans dood die tot de mini-oorlog tussen Tripoli en Misrata leidde. Firwans moeder deed toen een oproep om vooral geen wraak te nemen voor de dood van haar zoon. Omran, zelf een oud-militielid, is minder vergevingsgezind.

Over de militieleden uit Misrata, die het vuur openden op de betoging, zegt hij dat het „goede mensen” zijn. „Het is de regering die de mensen wil doen geloven dat wij bandieten zijn. Er is een politieke oorlog aan de gang tegen Misrata.”

En dan vat hij bondig samen waarom het militieprobleem ook in 2014 wellicht niet zal worden opgelost. „Misrata heeft het grootste offer gebracht in de strijd tegen Gaddafi. Andere stammen houden nog steeds van Gaddafi. Misrata heeft veel vijanden. Zolang het nationale leger niet sterk genoeg is om ons te beschermen zullen wij onze wapens niet opgeven.”