Hé wijffie, mag ik je bezwangeren?

Wie zijn toch die mannen die vrouwen proberen te versieren met hun ‘originele’ vragen? Anouk van Kampen vraagt zich af wat hen bezielt.

Het is zondagavond en ik wacht op de tram. Voor me, op de trambaan, stapt een man van zijn fiets terwijl hij iets tegen me zegt. Ik zie zijn mond bewegen, maar ik hoor niks. Als ik mijn oordopjes heb uitgedaan, herhaalt hij zijn vraag. „Ben je hier een beetje bekend? Ik zoek de weg naar…” Hij kijkt weifelend om zich heen. „Jouw hart.” Hij lacht, zijn gouden tanden glinsteren in het licht van een lantaarnpaal. „O, dat is al bezet?”, oppert hij. Ik knik maar. Hij fietst alweer door – niet teleurgesteld of beschaamd, meer berustend: ach, ik kon het proberen.

Mijn ontmoeting met de man op de trambaan doet me denken aan de eerste keer dat ik een potloodventer tegenkwam. Jarenlang prentten mijn ouders het me in: lachen, om potloodventers moet je lachen. Als ze je zien schrikken, krijgen ze juist wat ze willen. Toen het moment aanbrak, schrok ik natuurlijk wel. Ik riep niet dat hij weg moest maar liep zelf door. Ik lachte niet, want ik was verbaasd. Zo stond ik die zondagavond niet zozeer geschokt als wel verbaasd naar de onbekende man op de trambaan te staren, zonder dat ik een goede reactie paraat had.

Ik ben natuurlijk niet de enige die wel eens wordt benaderd op straat. Sissende groepjes mannen, mannen die ‘waarom antwoord je niet, hoer!’ roepen als je niet antwoordt op hun ‘hé schatje’, een exhibitionist in het park – iedere vrouw gebeurt het wel eens.

Maar veel vaker vinden de benaderingen op een subtielere manier plaats. Die benaderingen geven geen onveilig gevoel, zijn geen echte belediging of discriminatie. Soms zijn het bijna complimenten: de fluitende bouwvakker, het getoeter van een auto. Op zijn hoogst wekken ze lichte irritatie. Deze manieren van benadering zitten in een register waarin ik nog geen slet ben, maar waarbij het ook niet echt om mijn geweldige persoonlijkheid gaat. Een schemergebied dat geen lastigvallen mag heten.

De groepen mannen of jongens die de behoefte voelen te fluiten, te sissen of obscene dingen naar vrouwen te roepen, snap ik nog wel. Groepsgedrag. Ze willen of moeten zich bewijzen, of vinden het gewoon grappig.

De man die ik niet begrijp, is de einzelgänger. De lichtere equivalent van de potloodventer. De man die, als ik naar huis ga, langsloopt en iets onverstaanbaars in mijn oor fluistert. De man die naast me komt zitten en zonder enige inleiding aanbiedt zijn telefoonnummer in mijn telefoon te zetten. De jongen die ‘hé wijffie, mag ik je bezwangeren?’ roept, of ‘niet zo boos kijken, schatje’ zegt. Die de ongeschreven versiercode bewust of onbewust met voeten treedt door te doen alsof de straat een gezellig café is. ‘En, ga ik al mee naar huis?’ Als ik reageer met een ‘liever niet’ tonen de meesten zich geschrokken, of ze reageren gelaten. Een echt antwoord verwachten ze blijkbaar niet.

Potloodventer light

Ik vind het niet erg. Ik durf te wachten op een tram bij een verlaten station. Ik ga niet iets anders aantrekken, omdat ik ’s avonds de straat op moet. Maar die man, variërend van een zestienjarig Nederlands-Marokkaans jongetje tot een 45-jarige blanke man bij Albert Heijn (‘wil je die gehaktballen bij mij komen opeten?’), fascineert me.

Als ik het mijn mannelijke vrienden vraag, zeggen ze dat zij dit nooit doen. Maar wie dan wel, en waarom? In tegenstelling tot het toeteren of fluiten, ben ik in het geval van de einzelgänger het enige – onenthousiaste – publiek. Ze hoeven zich niet voor een groep te bewijzen en bij de betrokken vrouw kunnen ze rekenen op een afwijzing, dus goed voor hun ego kan het ook niet zijn.

Of werkt deze tactiek soms wél? Zijn er dames die hier enthousiast van worden? Is de jongen bij de tramhalte een romantische geest, die hoopt dat het gaat als in de film? Dat ik in zijn armen val bij zo’n absurde kennismaking, waarvan je jaren later een prachtig verhaal kunt vertellen op een feestje? Hoopt hij misschien niet op echt resultaat en gaat het alleen om de schrik, het roepen, het proberen – als een potloodventer light? Gaat hij misschien zo naar zijn vrienden, of appt hij ze een berichtje: ‘Weet je wat ik net heb gedaan?!’, als een soort plaatsvervangend groepsgedrag? Of gaat hij de hele stad zo af, op zijn fiets op zondagavond, en stopt hij bij iedere vrouw die alleen op straat staat, omdat hij zich gewoon verveelt?

Mijn gebrek aan een spontane reactie leidt ertoe dat ik nog nooit een antwoord op mijn vragen heb kunnen vinden. Daarom vraag ik het hier. Misschien ben jij zo’n man, of ken je er één. Misschien lees je dit stuk en was jíj het, die van de weg naar mijn hart. Mannen van de straatversiering: wie zijn jullie?