Gezocht: een nieuwe Henry Ford

Grootbedrijven investeren niets, betalen geen belasting. Het kapitalisme kan worden gered als deze race naar de bodem wordt gestopt, vindt Ewald Engelen.

Over drie weken komt de top van het internationale bedrijfsleven in het Zwitserse Davos weer bijeen. Hermetisch gescheiden van het gepeupel door een politiekordon dat ze zelf mogen betalen, buigen bestuursvoorzitters, politieke vrienden en adviesfluisteraars zich vier dagen lang over de toekomst van de wereld.

Ook deze keer zal het World Economic Forum grossieren in felicitaties aan eigen adres. Al drie jaar overheerst namelijk ergernis over een politieke kaste die er maar niet in slaagt de crisis op te lossen. Of, in hun eigen woorden: „De politiek is blijven hangen in crisismanagement”.

Ondertussen heeft het grootbedrijf naar eigen zeggen de blik wel al lang weer op de toekomst gericht en nemen multinationale ondernemingen het voortouw in de aanpak van de grote uitdagingen van morgen: duurzaamheid, groei, armoede.

Het is op z’n minst opmerkelijk. Terwijl het kapitalisme op het punt staat zijn eigen revolutie te baren, eet de bedrijfselite in een Zwitsers bergdorp canapeetjes. Want vijf jaar na de grootste financiële crisis sinds 1930 is het lek nog lang niet boven water. Sterker, ruim vijf jaar na Lehman is het zonneklaar dat dit niet zomaar een crisis is, maar een systeemfout die tot in de haarvaten van het kapitalisme reikt.

Vanaf 2008 is de suikerlaag van schuldgedreven welvaartsgroei weggesmolten en is de ruïne van het sociaal contract tussen kapitaal en arbeid dat verzorgingsstaat heet, in al zijn naakte pijnlijkheid blootgelegd.

De neoliberale utopie van privatisering, liberalisering en deregulering; van marktwerking en mondialisering; van vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en arbeid; van iPad en Starbucks; van Thatcher en Reagan; van welvaart en geluk voor iedereen – die hele santenkraam van begeerlijke beloftes waarmee wij onszelf in slaap hebben gesust, is voor een groeiend aantal Westerse burgers op een doffe teleurstelling uitgedraaid.

Zeker, een mobieltje kost een habbekrats, roaming is gratis en we kunnen overal pinnen. Maar het inkomen is gedaald, de baanzekerheid is uitgehold, zorg en onderwijs zijn slechter en duurder geworden, de democratie is uitgekleed en de belastingdruk komt ons tot de lippen.

En dan is er nog het loden gevoel in de maag als we piekeren over het armzalige toekomstperspectief van onze eigen kinderen – zeker als zij de boot in de vorm van een studie bedrijfskunde, accountancy, rechten en economie hebben gemist.

De staat, die zich na een kwart eeuw nationalistische slachtingen als beschermheer van kwetsbare burgers had opgeworpen, danst alweer dertig jaar rond het gouden kalf van directe buitenlandse investeringen.

Burgers hebben de parlementaire democratie en de illusie van medezeggenschap gekregen, maar het grootbedrijf heeft de macht van chantage (‘anders verkassen wij’) en voert daarmee in feite het laatste woord. Zo is in dertig jaar een landschap ontstaan dat naadloos op de wensen van de bestuursvoorzitter is toegesneden.

U wenst loonmatiging? Krijgt u loonmatiging. Minder ontslagbescherming? Geven wij u. Beter opgeleide arbeidskrachten? Krijgt u. Lagere vennootschapsbelasting? Geven wij u. Meer zeggenschap over het universitaire onderzoek? Krijgt u. U wilt meeliften op de pracht en praal van Oranje? Geen probleem. U wilt dat ontwikkelingssamenwerking uw belangen dient? Zorgen we voor. U wilt een muntunie, een vrijhandelsverdrag, minder regeldruk, meer subsidie, meer aftrekposten, een plaatsje op de eerste rij, meer vrijkaartjes, uw naam boven de museumgarderobe, een station voor de deur, een bilateraaltje met de premier?

U vraagt, wij draaien. Welkom in Corpocratië.

Sinds 1980 is de vennootschapsbelasting wereldwijd zo ongeveer gehalveerd: in Nederland van 48 procent naar 25 procent. Dertig jaar lang zijn belastingparadijzen als Ierland en Luxemburg en belastingdoorsluis-paradijzen als Nederland ongemoeid gelaten. Ook al wist iedereen dat deze jurisdicties uiterst agressieve belastingconstructies verkochten, die het grootbedrijf in staat stelde lage (en dalende) nominale belastingtarieven te reduceren tot nul.

Ook uit die jaren stamt de aanval op loonkosten en ontslagbescherming. Dat begon in Nederland, waar men in 1982 met het Akkoord van Wassenaar de eerste stap zette op de glijdende schaal van loonconcurrentie. Sindsdien zijn vele landen gevolgd: Ierland, Oostenrijk, Finland en, als laatste, Duitsland. In Nederland zakte de arbeidsinkomensquote in tien jaar tijd van 86 naar 80 – en daar is zij sindsdien, dankzij de overschatte inkomsten van een miljoen zzp-ers, blijven hangen.

Dat is ook met de ontslagbescherming gebeurd. Ooit was dit het teken van emancipatie en beschaving; nu is ze verworden tot obsoleet anachronisme dat louter deelbelangen dient en dus moet worden afgebroken. Flexibilisering is al twintig jaar het internationale toverwoord.

Corpocratië is een wonderlijk land. Daar betalen de machtigsten de minste belasting en de machtelozen de meeste. Daar dragen de grootste profiteurs van publieke investeringen in de materiële en immateriële infrastructuur het minste af en de kleinste het meeste. Droeg het bedrijfsleven in 2000 nog voor tien procent bij aan de Nederlandse schatkist, in 2013 was dat nog maar vier procent.

De keerzijde zijn scherp gestegen tarieven: voor u en voor mij. Terwijl Unilever, Shell, Philips, Heineken – om maar te zwijgen van de Nederlandse grootbanken – toch echt hun mondiale succes danken aan onze rechtsstaat, ons rechtsbewustzijn, onze infrastructuur en ons onderwijs. Maar wij draaien voor het onderhoud op.

Ondertussen komen de grenzen van dit parasitaire verdienmodel in zicht. De inkomensongelijkheid loopt scherp op – en dat roept de prangende vraag op wie er eigenlijk van de neoliberale utopie heeft geprofiteerd. Een handvol bankiers en bestuurders, accountants en fiscalisten, enkele advocaten, een verdwaalde commissaris, een omhooggevallen politicus en, niet te vergeten, vierhonderd miljoen Chinezen (maar die mogen niet stemmen). Dat is het wel zo’n beetje.

De Europese en Amerikaanse middenklasse bijt al tien jaar (hier) en twintig jaar (daar) op een houtje. En dan heb ik het nog niet over de onderklasse die zowel hier als daar het nakijken heeft. Rolex, Panerai, Dior, Harry Winston, appartementen in Park Hyatt New York, juwelen van De Beers, de eerste zes adverteerders uit de laatste How to spend it van de Financial Times, zijn er voor de één procent – niet voor u. En dat geldt ook voor het Loro Plana herenvest van baby-Kasjmir met bevervoering van zesduizend Britse pond.

De combinatie van loonmatiging, arbeidsmarktflexibilisering en belastingontwijking is een giftige. Neem Nederland. Terwijl inwoners zuchten onder torenhoge hypotheekschulden, als gekken afbetalen op gezonken onroerend goed en ook nog eens moeten opdraaien voor de publieke kosten van een bancair privéfeestje, zit het grootbedrijf op een historisch ongekende berg spaargeld: rond de zestig miljard euro in Nederland, rond de vijf biljoen dollar in de VS. En wat doet het bedrijfsleven? Het investeert niet in het thuisland, niet in onderzoek en ontwikkeling, niet in de eigen werknemers. Nee, het doneert de winsten aan de aandeelhouder – na uiteraard eerst de eigen bestuurders flink te hebben gespekt. Zie Apple, het grootste beursgenoteerde bedrijf ter wereld. Maar liefst 100 miljard dollar keert die onderneming tussen nu en 2015 uit aan aandeelhouders.

Het tekent de absurditeit van Corpocratië. Marx en Engels schetsten in 1848 het beeld van een kapitalistische klasse die aan haar eigen hebzucht ten onder zou gaan. Competitie leidt tot afnemende winsten en toenemende uitbuiting. Op die manier zou de bourgeoisie haar eigen doodgravers baren: het proletariaat dat met hooivorken de vermaatschappelijking van het kapitaal zou afdwingen.

Hoewel de hooivorken tot nog toe in de schuur zijn gebleven, loopt het kapitalisme in de eenentwintigste eeuw het gevaar alsnog aan zijn eigen paradoxen ten onder te gaan. Enquêtes leren dat schulden, werkloosheid en sociale daling onderwerpen als migratie, integratie en Zwarte Piet al geruime tijd van de agenda hebben verdreven. Het wachten is op de politieke entrepreneur die deze zorgen mobiliseert. En in een mondiale onderbestedingscrisis kan het dan snel gaan.

Dat zouden ze in Davos toch ook moeten snappen. Eigenlijk zou de Henry Ford van de eenentwintigste eeuw allang moeten zijn opgestaan. De achturige werkdag van vijf dollar waarmee Ford honderd jaar geleden in een klap het arbeidsloon verdubbelde, was gebaseerd op het proto-Keynesiaanse inzicht dat omzet en winst koopkrachtige vraag vereisen. Alleen als Ford zijn mensen goed betaalde, konden ze zo’n zwart T-Fordje kopen. Daarmee stond hij aan de basis van ons naoorlogs sociaal contract en redde hij het kapitalisme van Marx’ voorspelling.

Anno 2014 staan we voor dezelfde vraag: hoe kunnen we kapitalisme dienstbaar maken aan de burgers? Het antwoord is niet ingewikkeld. Betaal fatsoenlijke lonen, kom je belastingplichten na, ruim je rotzooi op, hou je aan democratische normen en stop de race naar de bodem.

Dat is geen ideologie. Dat is welbegrepen eigenbelang. Reformisme uit eigen kring of revolutie – meer smaken zijn er niet.