Gezag ontstaat niet door strenger te straffen

Gezag heeft een slecht imago. Toch zijn we aangewezen op revitalisering van juist het alledaags gezag, meent Bas van Stokkom.

Afgelopen woensdag hield minister Opstelten (Veiligheid, VVD) een persconferentie over de incidenten tijdens de jaarwisseling. Hij leefde zich weer op de hem bekende wijze uit: ondanks een toename van het aantal incidenten werpt het zero tolerance-beleid zijn vruchten af; door de inzet van tienduizend politiemensen zijn ernstige onlusten in de kiem gesmoord; als de rechter tweehonderd procent strafverhoging oplegt, kom het wel goed.

Geweld tegen werknemers met een publieke taak is onacceptabel. Daar is iedereen het over eens. Maar Opstelten neemt een wel heel eigenaardige positie in. Zoals bekend is hij een aanhanger van de ‘straf helpt’-orthodoxie. De minister meent dat afschrikking werkt en legt de stapels onderzoeken die het tegendeel aantonen, rustig terzijde.

Illustratief is het programma Veilige Publieke Taak. Het uitgangspunt van het programma luidt: „Agressief of gewelddadig gedrag tegen werknemers met een publieke taak wordt nooit getolereerd”. Werknemers worden dan ook aangespoord elk geval van agressie of geweld te melden.

Het ambitieuze programma worstelt met veel problemen. Bij lichtere incidenten is sprake van ‘onderregistratie’. Werknemers zeggen dat zij verbaal geweld nooit laten registreren omdat zij anders ‘wel bezig kunnen blijven’. Ook bedreigingen komen lang niet altijd terug in de registraties.

Het Openbaar Ministerie wordt geacht een driedubbele strafeis te hanteren. Een deel van de officieren vindt die strafeis buitenproportioneel en eist dan ook lang niet altijd 200 procent. Het OM is in feite een keurslijf opgelegd: het leveren van veroordelingen conform de maximale strafeis. Daarmee wordt een klassiek beginsel als ultimum remedium miskend.Daarbij, zero tolerance verdraagt zich niet met het rechterlijke streven naar maatwerk. Mogelijk treft beide partijen blaam en heeft de publieke werknemer de burger geprovoceerd. Of gaat het om een first offender.

Tenslotte is er het probleem van handhaving. Beschikken we wel over de middelen om naleving van ‘nooit tolereren’ af te dwingen? Kennelijk zijn de tienduizend politiemensen die tijdens op oud en nieuw op de been waren, toch niet genoeg. Natuurlijk moet een term als ‘nooit tolereren’ allereerst een ferme symbolische boodschap af te geven.

Maar in de reële wereld moeten we niet ale vormen van agressief gedrag strafrechtelijk willen afhandelen. Zo horen beledigingen bij het stressvolle stedelijke leven. Burgers schieten uit hun slof en verliezen tijdelijk hun zelfcontrole. Die vervelende en vaak kwalijke reacties moeten niet worden gecriminaliseerd. Dat is zinloos en geeft bovendien het verkeerde signaal: ‘zero friction’ als publieke norm.

Het ligt voor de hand dat politie en justitie zich richten op zwaardere vormen van agressief gedrag. Maar de strijd tegen agressie in de openbare ruimte is allereerst een maatschappelijke opdracht. Dat komt neer op revitalisering van alledaags gezag. Gezag duidt op ongevraagd initiatief nemen: een (her)definiëren van een probleemsituatie ‘voor’ anderen. Je introduceert daarmee ongelijkheid, niet om je formele positie te benadrukken maar om de verantwoordelijkheid voor het reguleren van gedrag op je te nemen. Je moet je engageren en zeggen: „Dit gaan we niet doen!”Dit ‘voorgaan’ maakt weinig indruk als brandweerlieden en hulpverleners in de nacht tegenover een dronken en stoned publiek staan. Maar in alledaagse situaties kan het wel degelijk verschil maken: duidelijk zijn, laten zien voor welke zaak, welke normen je staat en wat je gaat doen en wat anderen moeten doen of laten. Ook dan is je mond het sterkste wapen.

We moeten werknemers met een publieke taak meer speelruimte geven. Erkennen dat zij hun werk moeten doen en niet bij voorbaat trakteren op tegenspraak. Geen snelle egocentrische reflexen als ‘dat maak ik zelf wel uit’. Conducteurs, hulpverleners of gewone burgers het voortouw laten nemen tegen onwenselijk gedrag. En dat optreden leren zien als publieke dienstverlening – niet als inbreuk op ‘mijn’ vrijheid. Dat optreden vereist moreel overwicht en moed; welwillend zijn maar ook consequent; ervoor zorgen dat het ingrijpen als eerlijk wordt ervaren. Nu heeft gezag in een democratische samenleving een slecht imago. Gezag lijkt synoniem geworden aan ‘tegen je zin’ en ‘opgelegd’. Veel burgers menen dat aanspreken op gedrag een ergerlijke zaak is omdat ‘mij’ de wet wordt voorgeschreven. „Wie ben jij om mij te commanderen!” Het besef dat je vrijwillig kunt instemmen met andermans verzoek, is bepaald niet levendig.

Deze koudwatervrees voor gezag en de verontwaardigde reacties op inmenging moeten we te boven zien te komen. Niemand is gebaat bij zwakke gezagsdragers. Die kunnen mensen niet helpen als de nood aan de man is. De ‘brutalen’ en ‘onverschilligen’ gaan vervolgens hun gang. Zij eisen het recht van de sterkste op. Onvermijdelijk weerklinkt daarna de roep om repressie en wordt Opsteltens belijdenis dat straf helpt, weer stevig omarmd.