Elke orkaclan heeft zijn eigen liedjesrepertoire

Orkajongen leren liedjes van hun moeders. En orka’s uit de wateren van Alaska en IJsland nemen deuntjes van elkaar over. Een kwestie van cultuur.

Foto Getty

Orka’s zijn zeezoogdieren die soms aan mensen doen denken. Ze komen over de hele wereld voor, van India tot IJsland en van Vuurland tot Alaska. Alle orka’s hebben min of meer dezelfde afmetingen en verschijningsvorm. Een orka uit de Indische Oceaan lijkt meer op een orka uit IJsland dan een Inuit op een Afrikaan. En net als alle mensen van waar ook ter wereld horen alle orka’s tot maar één biologische soort (Orcinus orca).

Langdurige isolatie van groepen mensen heeft geleid tot het ontstaan van duizenden talen en dialecten. Iets vergelijkbaars lijkt er bij orka’s aan de hand , al gaat het bij hen niet om een echte taal, maar om liedjes. Dieren die geografisch ver van elkaar verwijderd zijn, hebben een sterk verschillend lexicon aan deuntjes. Ze zouden weinig van elkaar ‘verstaan’ als ze elkaar tegenkwamen, en zelfs individuen uit populaties die een overlappend leefgebied hebben, verschillen meestal in het dialect dat ze bij elkaar knetteren, galmen en fluiten.

Het vocaal repertoire bestaat uit snel op elkaar volgende klikgeluiden die worden aangewend voor het detecteren van prooien via echolocatie, maar ook uit hoog-frequente fluitjes, gegalm en een keur aan roepen. Orkabiologen vragen zich al geruime tijd af of de beheersing van een dialect aangeboren is, of aangeleerd moet worden? En hoe het specifieke vocale repertoire ontstaat dat elke clan kenmerkt. En vooral: wat is de biologische betekenis, de functie, van al dat zingen en galmen?

Fluitjes en liedjes worden selectief van de moeder geleerd en dus, voor zover nu is waargenomen, cultureel doorgegeven van moeder op kind. Ook is in een dolfinarium geobserveerd dat volwassen orka’s, de een afkomstig uit de buurt van IJsland en de ander uit Alaska, liedjes van elkaar overnamen. Vocale mimicry, cultuur dus.

Burgerlijke stand

Van de orka’s uit de zee bij Vancouver Island, British Columbia, waaraan al decennia onderzoek wordt gedaan door de onderzoeksgroep van John Ford bestaat een uitgebreide burgerlijke stand van honderden individuen die, jaar in jaar uit, in de gaten zijn gehouden door biologen en natuurbeschermers. Door foto’s van de rugvinnen te maken en die te vergelijken is identificatie van vrijwel elke individuele orka mogelijk. Rugvinnen vertonen doorgaans genoeg verschillen in buitenvorm, wondjes en littekens om elk exemplaar te kunnen volgen. Wat vingerafdrukken zijn voor de politie, zijn rugvinnen voor de orkabioloog. Privacy bestaat in deze regio, ook voor orka’s, al lang niet meer. Het vergroot hun overlevingskansen aanzienlijk.

Van generatie op generatie is het vocaal repertoire binnen een clan opvallend stabiel, maar beginnen dochters een eigen clan, dan kunnen er in de loop der tijd kopieerfouten en spontane variaties optreden waardoor klikken, stereotiepe fluitjes, of liedjes geleidelijk aan steeds meer gaan verschillen van het repertoire, het damesvocaal, van de moederclan.

Orkadeuntjes bestaan uit herkenbare, want stabiele, partjes. Je zou ze kunnen beschouwen als een soort elementaire orka-akkoorden. Er kunnen ook partjes uit een roep, of fluitje wegvallen, zich verdubbelen, of bijkomen. Vocale vondsten die aan het repertoire worden toegevoegd. Er zijn treffende overeenkomsten met de veranderingen die door genetische mutaties in het DNA ontstaan. Door accumulatie van kleine verschillen kan, net als in de biologische evolutie, het liedjeslexicon van twee akoestische clans in de loop van generaties steeds sterker uiteen gaan lopen. Er ontstaan op de lange duur dialecten, een voorbeeld van culturele evolutie bij dieren.

Inversies

Veel voorkomende veranderingen in het orka-repertoire zijn de zogenaamde inversies, ‘elementaire deeltjes’ die van positie wisselen. In de zin ‘wie weet wat niet deert?’ klinkt de verre echo van het spreekwoord ‘wat niet weet dat niet deert.’ Ontdaan van zijn betekenis, een poging tot orka-isering, zou het fluitje ‘wieweewaniedee’ cultureel kunnen zijn ontstaan door kopieerfouten, inversies, en het wegvallen van een partje (da) uit het voorouderlijke fluitje ‘wanieweedaniedee.’ Het doet denken aan de gedichten van Kees Ouwens. Hoe intensiever ik deze gedichten lees, des te meer raak ik ervan overtuigd dat Ouwens ooit als orka moet zijn begonnen voordat hij mens werd.

Neem dit couplet uit het gedicht Zonnestand van Ouwens.

Horizon tussen de kimmen, doorgankelijkheid

Een lichaam gaans, maat voor omwijking, beletsel

Aan de doorschrijding, de zinnen gewaagd, toegang

Mateloos laagsgewijs onderverdeeld heersend

Hier kun je bij een orka, en zeker bij een ervaren matriarch, mee aankomen, al zal zij de betekenis van deze poëzie niet kunnen doorgronden. Maar geldt dat niet ook voor de menselijke lezer? In zijn bundel Betoveringen typeerde Piet Meeuse deze poëzie eens treffend door erop te wijzen dat hij, al lezend, het gevoel heeft op het punt te staan er iets van te gaan begrijpen. En dat blijft zo – het snappen wordt steeds weer uitgesteld, terwijl je onderwijl wel het gevoel houdt dat er een serieus spel wordt gespeeld. Zo weet Ouwens de menselijke lezer geboeid te houden.

Bij orka’s werkt het anders. Bij hen komt het erop aan dat de poëzie van Ouwens levendig wordt voorgelezen. Klinkt het alsof er in muzikaal opzicht door klank, ritme, registerwisselingen, iets op het spel staat, dan verwacht ik dat ze aandachtig zullen luisteren. Dit zou geen kansloze exercitie zijn. Nog niet zo lang gelden hebben musici, aan de rand van het Vancouver-aquarium gezeten, voor orka’s gespeeld en zo contact met ze gemaakt. Het is eeuwig zonde dat matriarchen het couplet uit het gedicht De stervende natuur van Ouwens niet met betekenis en al kunnen savoureren:

Wel zie nog, ver weg,

Mijn moeder in de badkuip zitten,

Het haar opgebonden in een handdoek

En ik hoor haar ondeugende

liederen, die zich met stoom vermengen,

Maar dat is reeds lang geleden.

Orka’s weten door over en weer het repertoire van hun eigen clan ten gehore te brengen met hoevelen ze zijn, maar de betekenis van het roepen en zingen gaat verder. Als roepen, ook ondeugende, selectief worden geleerd van moederdieren, binnen een door een matriarch geleide clan, dan kunnen dochters hun verwantschap met potentiële partners afmeten aan de mate van overeenkomst met hun eigen geluiden. Dit werkt vermoedelijk als een inteelt vermijdend mechanisme. Gaat heen en vermenigvuldigt u, maar niet met een partner die hetzelfde klikt, knettert, fluit of roept, want dat is hoogst waarschijnlijk een nauwe verwant. En dat geeft maar ellende bij het nageslacht. Dat heeft het inmiddels aangetoonde gevolg dat een orkawijfje zich het liefst laat bevruchten door een partner die zij niet of slecht ‘verstaat.’

Ziel

Paringen binnen de akoestische clan, maar zelfs tussen leden van verwante akoestische clans die samen een wijdere sociale groep van genetische verwanten vormen, worden vermeden. Culturele- en genetische evolutie zijn hier nauw verweven. Volgens John Ford c.s. bestaat er in dit opzicht zelfs een opmerkelijke overeenkomst tussen orka’s en het clansysteem van de verschillende groepen First Nations, zoals de Kwakiutl-, Tsimshian-, Haida- en Tlingit-indianen die langs zee in orkagebied leven. Zij geloven dat de ziel van een gestorven mens in het lichaam van een orka, of ander dier, zoals een raaf of beer, terugkeert.

In de totempalen van deze First Nations, waarvan in het Museum of Anthropology in Vancouver prachtige voorbeelden staan opgesteld, duiken die dan ook regelmatig op. De Tshimsian bijvoorbeeld zijn van oudsher georganiseerd in clans met vier namen. Die namen, schreef de antropoloog Viola Garfield al in 1939, werden gedeeld met twee andere gemeenschappen: de Haida en Tlingit. Voordat de Tsimshian in contact kwamen met Europeanen, had elke clan verschillende namen die het uitsluitend bezit waren van die clan. Kinderen die voortkwamen uit huwelijken tussen leden van twee verschillende clans droegen twee clannamen, de ene van moeders – en de andere van vaderszijde, zodat potentiële partners van de mate van hun verwantschap enigszins op de hoogte waren. ‘Een beer’ trouwt nooit met ‘een beer,’ ‘een orka’ niet met ‘een orka,’ zoals een Ouwens er vermoedelijk niet over piekert met een Ouwens te huwen.

Lexicon

De aard van het repertoire aan liedjes en deuntjes van een orkaclan wordt niet uitsluitend bepaald door interacties tussen de orka’s zelf. De noodzaak te weten met hoevelen je ongeveer samen bent, en criteria voor het kiezen van de meest geschikte partner (seksuele selectie) zijn niet de enige factoren die het lexicon aan deuntjes en de omgang daarmee bepalen. Er is minstens nog een factor die grote invloed heeft. Er bestaan verschillende ecologische typen zoals de trekkers of transients, met een rugvin die in een scherpe punt uitloopt, en de blijvers of residents met een meer afgeronde rugvin. Zelfs een leek kan het onderscheid maken. Waarschijnlijk is er nog een derde categorie van deze kosmopolitische species waarover nog weinig bekend is doordat ze zo ver uit de kust leven. Ze zijn vooral herkenbaar aan hun vroeg versleten tanden. Haaien met een huid als schuurpapier vormen hun voornaamste prooi en dat heeft repercussies voor het orkagebit dat haast even lang mee moet als dat van mensen.

Trekkers zijn in de zomer te vinden in de wateren van Washington en British Columbia, maar migreren in het najaar terug naar het zuiden, soms tot voorbij Californië. Ze zijn gespecialiseerd in het detecteren, bejagen en eten van mariene zoogdieren zoals zeehonden, Stellers zeeleeuwen en kleinere dolfijnensoorten, terwijl de blijvers uitsluitend vis zoals Chinook-zalm en haring eten. Wanneer eind juni, begin juli de vette zalmen met honderdduizenden de rivieren optrekken om te gaan paaien, worden ze bij de riviermondingen opgewacht door de visetende blijvers waarop het onderzoek naar geluid zich tot dusver heeft geconcentreerd.

Incognito

Lange tijd was het raadselachtig waarom trekkers en blijvers zo sterk verschillen in de omgang met hun deuntjesdialect. De blijvers, ik heb het zelf kunnen vaststellen, zijn vaak volop aan het knetteren, klikken, fluiten en roepen, terwijl de trekkers grote delen van de tijd zwijgen. Waarom reizen zij zwijgend en dus incognito? De achterliggende oorzaak is ecologisch van aard. Zalmen zijn slechthorend en zeker in het frequentiebereik van de deuntjes van de blijvers. Dat maakt dat blijvers ongestraft geluid kunnen maken zonder te hoeven vrezen dat zij hun aanwezigheid verraden aan hun prooien. De enige reden om stil te zijn, is dat geluid maken energie kost. En waarom zou je die verspillen?

Maar als trekkers geluid maken in hun jachtgebied, verminderen ze daarmee de kans op het vangen van prooien aanzienlijk, want het vermogen van mariene zoogdieren om onder water te horen is juist heel goed. Sommige orkaroepen dragen kilometers ver en dus kunnen zeehonden, zeeleeuwen en kleine dolfijnen anticiperen op de komst van een al te luidruchtige vleesetende orka, en tijdig maken dat ze weg komen.

Trekkers doen er goed aan tegelijkertijd stil te worden, zodra ze op jacht gaan, om zo hun prooi te naderen en te overrompelen. En dat doen ze ook, alsof er een orkagod, de situatie overziend, aan de volumeknop draait waardoor het op slag stil wordt. Maar na een succesvolle vangst, zeker als ze met vele zijn, houden ze het niet meer en barsten uit in geklik, geknetter, gefluit en melodieus geroep. Ze verkeren in een kennelijke staat van hoge opwinding. Het doet denken aan de uitgelaten stemming die dikwijls ontstaat wanneer nabestaanden en vrienden na de begrafenis van een dierbare door de droge cake heen zijn en eindelijk aan de drank beginnen.