De generaals die oorlog wilden, faalden in 1914

In Catastrophe toont Max Hastings de verschrikkingen van het eerste oorlogsjaar aan de hand van ooggetuigen.

‘Mijn liefste Maria, ik voel me zo verschrikkelijk dat ik je eigenlijk liever niet zou schrijven.” Het is eind oktober 1914 en soldaat Paul Hub uit Stuttgart vecht in de buurt van de Belgische stad Ieper tegen de Britten. In een brief aan zijn verloofde doet hij verslag van zijn ontgoocheling. „Ons bloed vloeit in stromen. Overal om me heen de meest afgrijselijke verwoesting. Dode en gewonde soldaten, dode en stervende dieren, paardenkadavers, uitgebrande huizen, omgewoelde velden, voertuigen, kleding, wapens. Ik had niet gedacht dat oorlog zo zou zijn.”

Hub stond niet alleen in zijn afgrijzen. Overal in Europa kwamen militairen erachter dat de oorlog niet was geworden wat ze ervan hadden verwacht. Na drie maanden vechten bleken negentiende-eeuwse tactiek en strategie in combinatie met twintigste-eeuwse wapens en massalegers te hebben geleid tot een bloedige patstelling, die jaren zou blijven bestaan.

De 24-jarige Duitse soldaat is een van de tientallen ooggetuigen die de Britse journalist en historicus Max Hastings aan het woord laat in Catastrophe. Europe Goes to War 1914, een prikkelende bijdrage aan de geschiedschrijving van de Eerste Wereldoorlog. Met grote stilistische vaardigheid heeft Hastings de persoonlijke verhalen van soldaten en generaals, politici en burgers, Duitsers, Serviërs, Fransen en Britten versmeed met scherpe analyses tot een boek dat leest als een trein én aanzet tot reflectie.

De nadruk in Hastings’ nieuwe boek ligt op de beschrijving van de gevechtshandelingen in 1914, maar in de eerste hoofdstukken levert hij zijn bijdrage aan het debat over wie er schuld had aan het uitbreken van het conflict. Hastings moet niets hebben van de notie dat Europa collectief slaapwandelend de catastrofe tegemoet ging, zoals Christopher Clark betoogt in het vorig jaar verschenen Slaapwandelaars. Nee, schuld aan de oorlog hadden het Habsburgse rijk en vooral Duitsland.

Het Duitse keizerrijk van Willem II trachtte misschien niet actief een oorlog uit te lokken, schrijft Hastings, maar het is daarmee niet vrijgepleit. „Zelfs als het niet samenzwoer om een oorlog te veroorzaken, weigerde het zijn macht te gebruiken om het uitbreken ervan te voorkomen door Oostenrijk in te tomen. Zelfs als Berlijn niet een Europese brand trachtte te stichten, wenste het er een, omdat het geloofde te kunnen winnen.”

Hastings begint zijn beschrijving van de gevechtshandelingen in Servië. Het Oostenrijkse leger trok op 12 augustus de grens over om deze staat, wiens leiders medeverantwoordelijk waren voor de moordaanslag op aartshertog Franz Ferdinand in Sarajevo, van de kaart te vegen. De Habsburgse legerleiding had de capaciteiten van de eigen strijdmacht echter overschat – en die van Servië onderschat. De vastberaden Serviërs dreven de slecht bevoorrade en ongemotiveerde Oostenrijkse troepen het land weer uit.

Oostenrijkse militairen misdroegen zich op schandelijke wijze tegen de Servische bevolking. Executies van onschuldige burgers, die vooral met de Tweede Wereldoorlog worden geassocieerd, waren al in 1914 aan de orde van de dag. Ook de Duitsers gingen zich te buiten aan dit soort wandaden, in Oost- en West-Europa. Mede hierom vindt Hastings dat de Eerste Wereldoorlog gevochten moest worden. Het was slecht toeven geweest in een Europa onder de Duitse laars, meent hij.

Het Oostenrijkse offensief tegen de Russen in Galicië liep ook uit op een catastrofe. Alleen snel ingrijpen van de Duitsers voorkwam daar in de eerste oorlogsmaanden de totale ineenstorting van het front. De Duitsers zelf waren wel succesvol in hun strijd tegen de troepen van tsaar Nicolaas II. Bij Tannenberg werd een grote Russische legermacht omsingeld en vernietigd. Omdat het zwaartepunt van de Duitse krachtsinspanningen in het westen lag, hadden de Duitse aanvoerders aan het oostfront echter onvoldoende manschappen om hun successen uit te buiten.

Noemenswaardige versterking werd niet gestuurd, omdat de Duitsers in Frankrijk en België geen man konden missen. De opmars richting Parijs was in de loop van augustus tot stilstand gekomen. De strijdplannen die voor de oorlog perfect leken, schoten tekort. Bevelhebbers van verschillende eenheden werkten onvoldoende samen, de aanvoer van mannen en materieel naar het front stokte, en de verliezen waren hoger dan verwacht. Dat gold overigens niet alleen voor de strijd in Frankrijk. Ook in Midden- en Oost-Europa kwam weinig terecht van de scenario’s die voor de oorlog bij oefeningen nog hadden gezorgd voor glansrijke overwinningen.

Hastings geselt de verantwoordelijke generaals onverbiddelijk voor hun falen. Hij is streng voor de Duitse stafchef Moltke, die eerst jarenlang aandrong op een oorlog en veranderde in een onzekere klungelaar toen die eenmaal begonnen was, en nog strenger voor Moltke’s Oostenrijkse collega Conrad von Hötzendorf, een oorlogshitser die verbijsterend incompetent bleek in het leiden van een gewapend conflict.

Over Joseph Joffre, de Franse bevelhebber, oordeelt Hastings iets milder. Joffre zette in augustus 1914 een absurd aanvalsplan in werking, dat leidde tot grote verliezen. Soms gekleed in dezelfde rode pantalons als in de Frans-Duitse oorlog van 1870 trokken zijn soldaten in gesloten formatie richting goed bewapende Duitse troepen. Het resultaat was een slachting. De bloedigste dag aan het westelijk front van de gehele oorlog was 22 augustus 1914, toen aan Franse zijde tussen Namen en Verdun 27.000 doden vielen.

Joffre rehabiliteerde zich in de ogen van Hastings enigszins toen hij de Duitse opmars voor de poorten van Parijs tot staan wist te brengen. Koppig en koel reorganiseerde hij begin september zijn leger en dreef de aanvallers terug van de Marne naar de Aisne.

Bijzonder hard, en soms ronduit neerbuigend, is Hastings’ oordeel over John French, de bevelhebber van de British Expeditionary Force (BEF), de Britse troepen in Frankrijk en België. De ongelukkige veldmaarschalk wordt nooit zonder vileine adjectieven ten tonele gevoerd. Hij reageerde, aldus Hastings, als een kip zonder kop op het aanvankelijke succes van de Duitse opmars. French zag het niet meer zitten en wist niet hoe snel hij de restanten van zijn legermacht moest terugtrekken, liefst naar de kust. Pas bij Ieper groef de BEF zich in, om de laatste wanhopige Duitse pogingen te weerstaan een doorbraak te forceren.

Hastings behandeling van French’ optreden is exemplarisch voor de manier waarop hij geschiedenis schrijft. Het is voor hem niet voldoende de feiten te presenteren en de lezer zijn conclusies te laten trekken. Hij zegt wat er niet deugt, en hoe het beter had gemoeten. Critici hebben zich hierom in het verleden wel eens vrolijk gemaakt. Als Max Hastings achter de kaartentafel had gestaan, meesmuilden ze, was de verloren veldslag ongetwijfeld wél gewonnen.

Zo onbescheiden is Hastings in Catastrophe niet. Toen de oorlog eenmaal was losgebarsten, waren de leiders – politiek en militair – overgeleverd aan krachten die groter waren dan zij konden bedwingen. Ook een betere stafchef dan Moltke had het Duitse aanvalsplan waarschijnlijk niet tot een goed einde gebracht. En in het oosten hadden de Duitsers eenvoudig te weinig manschappen om de Russen de genadeslag te geven. Voordat het tot een doorbraak kon komen – in 1917 en 1918 – moest er eerst nog heel veel gestorven worden, concludeert Hastings berustend.