De beslis sende stap V

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: het begin van de nieuwe roman van Haruki Murakami,

De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren

.

anaf juli van zijn tweede jaar aan de universiteit tot januari van het jaar daarop was er geen moment van zijn leven dat Tsukuru Tazaki niet aan de dood dacht. Gedurende die tijd werd hij twintig en dus officieel volwassen, maar die gewichtige dag had geen speciale betekenis voor hem. Al die dagen kwam het idee om zelf een eind aan zijn leven te maken hem voor als het meest natuurlijke en logische wat hij kon doen. Ook nu begrijpt hij nog niet goed waarom hij die beslissende stap nooit heeft gezet. Destijds had hij het makkelijker gevonden de drempel tussen leven en dood te overschrijden dan om een rauw ei door zijn keel te gieten.

Misschien heeft Tsukuru nooit echt geprobeerd zelfmoord te plegen omdat zijn ideeën over de dood zo zuiver en intens waren dat hij niet in staat was de manieren om die dood te bewerkstelligen te verzoenen met het concrete beeld in zijn hart. Eigenlijk was die concreetheid maar bijzaak. Als er in die dagen een deur binnen zijn handbereik was geweest die hem toegang had verleend tot de dood, had hij die zonder een ogenblik te aarzelen opengeduwd. Zonder er verder diep over na te denken – als een voortzetting van het dagelijkse leven, zogezegd. Maar gelukkig (of niet) was hij er niet in geslaagd zo’n deur in zijn omgeving te ontdekken.

Misschien was het beter geweest als ik toen was gestorven, denkt Tsukuru Tazaki vaak. Dan had deze wereld nu niet bestaan. Dat lijkt hem een bijzonder aantrekkelijk idee: dat deze wereld niet bestaat en de dingen die hij nu als werkelijkheid beschouwt niet langer werkelijk zijn. Dat om dezelfde reden waarom hij niet langer voor deze wereld bestaat, deze wereld niet langer voor hem bestaat.

Maar tegelijkertijd kan hij er echt niet bij waarom hij in die tijd de dood zo dicht moest naderen dat het maar een haar had gescheeld of hij was over de rand gestapt. Goed, hij had een concrete aanleiding gehad, maar waarom had hij zich zo tot de dood aangetrokken gevoeld dat hij zich er bijna een halfjaar lang nauwelijks van los had kunnen rukken? Het was of de dood hem al had opgeslokt. Precies! Dat was de uitdrukking waar hij naar zocht: ‘opgeslokt’. Net zoals die figuur uit de Bijbel die door een walvis was opgeslokt en een tijd in diens buik had geleefd, was Tsukuru in de maag van de dood gevallen en had hij een tijdlang moeten doorbrengen in die donkere, verstikkende holte waar dag en nacht niet bestaan.

Al die tijd had hij geleefd als een slaapwandelaar, of als een dode die zelf nog niet beseft dat hij dood is. Als de zon opkwam werd hij wakker, poetste hij zijn tanden, trok hij de eerste de beste kleren aan die hij zag, pakte hij de trein naar de campus en maakte hij notities tijdens zijn colleges. Maar hij volgde dit tijdschema alleen maar omdat het er was, net zoals iemand zich tijdens een harde storm aan de dichtstbijzijnde lantarenpaal vastklampt om niet omver te worden geblazen. Hij sprak alleen met anderen als hij er niet onderuit kon, en zodra hij terug was in zijn flat, waar hij in z’n eentje woonde, zakte hij neer op de vloer met zijn rug tegen de muur en liet hij zijn gedachten gaan over de dood of over wat hij miste in zijn leven. Vlak voor zijn ogen gaapte een enorme afgrond, die directe toegang gaf tot het midden van de aarde. Daar zag hij de harde wolk van het kolkende Niets en hoorde hij een Stilte zo zwaar dat zijn trommelvliezen eronder bezweken.

Als hij niet aan de dood dacht, dacht hij aan niets. Aan niets denken was helemaal niet moeilijk. Hij las geen kranten, luisterde niet naar muziek, verlangde zelfs niet naar seks. Wat er in de wereld gebeurde interesseerde hem niet. Als hij het zat werd om op zijn kamer opgesloten te zitten, ging hij naar buiten om wat in de buurt rond te slenteren. Of hij ging op een bank op het station zitten om urenlang te staren naar de treinen die af en aan reden.

Elke ochtend nam hij een douche en waste hij zorgvuldig zijn haar, en twee keer per week deed hij de was. Hygiëne was een andere paal waarbij hij steun zocht: de was doen, douchen, tandenpoetsen. Hij besteedde nauwelijks aandacht aan wat hij at. Lunchen deed hij in de mensa van de universiteit, maar verder kreeg hij nauwelijks een behoorlijke maaltijd binnen. Als hij een leeg gevoel in zijn maag had, knabbelde hij aan een appel of wat groente die hij in de supermarkt om de hoek had gekocht. Of hij kocht een pak witbrood en at dat zo op, zonder boter of beleg, met melk direct uit het pak. Tegen bedtijd dronk hij een glaasje whisky, bij wijze van medicijn. Gelukkig kon hij slecht tegen alcohol, dus een kleine hoeveelheid was al voldoende om hem de slaap te doen vatten. Destijds droomde hij nooit. Als hij al dromen had, glibberden die zodra ze de kop opstaken over de gladde, geen enkel houvast biedende helling van zijn bewustzijn het domein van het Niets tegemoet.

De reden waarom Tsukuru Tazaki zich zo sterk tot de dood voelde aangetrokken was overduidelijk. Op een dag werd hem opeens verteld dat de vier personen met wie hij tot dat moment lange tijd de beste vrienden was geweest niets meer met hem te maken wilden hebben. Keihard. Recht in zijn gezicht. We willen je niet meer horen, en we willen je niet meer zien. Zomaar ineens. Zonder dat er een reden voor dat harde vonnis werd gegeven. En hijzelf had niet het lef te vragen waarom.

Uit het Japans vertaald door Jacques Westerhoven.