De bankenunie wacht op de volgende crisis

Hoe goed wordt de Europese bankenunie, die in 2015 haar beslag moet krijgen? Het huidige voorstel, dat eind vorige maand door de Europese Top werd gesanctioneerd, geeft de Europese Centrale Bank het toezicht op de Europese banken. Dat is goed, maar het zijn slechts de grote en middelgrote banken, niet de kleinere die met name door Duitsland buiten het regime worden gehouden. De Sparkassen zijn vaak vehikels voor de lokale en regionale Duitse politiek, vergelijkbaar met (héé) de Spaanse Cajas die zwaar in de problemen kwamen. De ECB zal, alvorens zij het toezicht op zich neemt, de kwaliteit van de balansen van de banken doorlichten en die onderwerpen aan een stress-test. Dat is ook goed, al zullen er altijd waarnemers zijn die daarna denken dat de test niet zwaar genoeg was. Je zou bijna denken dat de ECB verplicht is een aantal banken te laten sneuvelen, of in ieder geval flink te laten oplappen. De besluitvorming over een bank die in de problemen komt en moet worden gesloten of zwaar geherstructureerd, wordt flink ingewikkeld.

Er is uitgerekend dat er meer dan honderd functionarissen in negen gremia nodig zijn om het ja-woord te geven. Dat is te veel, want een en ander zal in één weekeinde moeten plaatsvinden. En als dat dan gebeurd is, dan is er een door de banken gefinancierd noodfonds dat pas over tien jaar vol is en dan slechts 55 miljard euro bevat. Meer geld zal moeten komen van overheden, tenzij later wordt besloten dat dit via andere, gemeenschappelijke kanalen gebeurt. Maar in de tussentijd lijkt het er sterk op dat overheden financieel verantwoordelijk blijven voor hun eigen banken – een lotsverbondenheid die juist had moeten worden doorbroken.

Nout Wellink, de voormalige president van De Nederlandsche Bank, stelde woensdag op de radio de juiste vraag: als we in 2008, tijdens de Lehman-crisis, deze bankenunie hadden gehad, hadden we het er dan beter van afgebracht? Zijn antwoord: nee, integendeel. Denk niet dat Wellink hier over zijn graf regeert, want zijn visie lijkt goeddeels te worden gedeeld door veel zittende bankpresidenten in de eurozone, inclusief die van de ECB zelf.

Afkeuren dus, die bankenunie, of bijstellen zoals het Europese Parlement – dat in dit verkiezingsjaar eindelijk een dossier in handen heeft waarbij het zich kan laten zien aan de burger – wil? Als de geschiedenis een leidraad is, dan wordt met de bankenunie een scenario gevolgd dat bekend voorkomt: je begin een Europees project met een architectuur waarvan iedereen weet dat hij onvoldoende is, maar het is op dat moment politiek het enig haalbare. Je wacht vervolgens op een crisis die aantoont dat de architectuur inderdaad niet voldoet. De druk is dan zo hoog dat de architectuur uiteindelijk uitkomt op wat écht werkt.

Het Stabiliteitspact was een draak, met niet af te dwingen voorwaarden. Nu hebben we dan dwangmaatregelen als de six-pack, de two-pack en het Europese semester, die begrotingsdiscipline vrijwel onafwendbaar maken. De euro werd begonnen zonder politieke unie. Nu is er intens begrotingsoverleg én het begin van een bankenunie. En die bankenunie zal een grote crisis nodig hebben om een échte bankenunie te worden.

De vraag is: is dit een vorm van misleiding van de Europese burger, van kiezersbedrog? Die burger kan het idee hebben er langzaam te worden ingeluisd met een integratie die veel verder gaat dan hem was beloofd. Aan de andere kant: Europese integratie is een proces van stappen die de volgende stap nu eenmaal onafwendbaar maken. Als het politiek niet in één keer kan, dan maar crisisgewijs. Want Europa is uiteindelijk alles of niets. Ook politici die beweren dat het uiteindelijk á la carte kan, bedriegen hun kiezers.

Marike Stellinga is met vakantie.