Zonde voor arbeidsmarkt als mbo’ers doorstuderen

Niets wijst erop dat het sociaal leenstelsel de doorstroming van mbo naar hbo frustreert. Wie wil, kan doorleren, aldus Jet Bussemaker.

Volgens Leo Prick, medewerker van NRC Handelsblad, zal studeren straks alleen nog voor de rijken zijn. In de krant van 30 december betoogde hij dat het sociaal leenstelsel jongeren uit de lage inkomensgroepen afschrikt. De samenleving wordt daar ongelijker van, aldus de onderwijspublicist. Hij ziet in het sociaal leenstelsel het voorlopige sluitstuk van een onderwijsbeleid dat leidt tot maatschappelijke tweedeling.

Dat zijn grote woorden. De vraag is of het ook terechte woorden zijn. Wat mij betreft slaat Leo Prick de plank flink mis. In de afgelopen vijfentwintig jaar, sinds het invoeren van de huidige studiefinanciering, is het aantal studenten dat een hbo of universitaire opleiding volgt meer dan verdubbeld. Zij hebben zich de afgelopen jaren blijkbaar niet laten weerhouden door de kosten van studeren. Immers, studenten krijgen nu een beperkte basisbeurs (100 euro voor thuiswonenden, 280 per maand voor uitwonenden), de rest lenen ze bij tegen gunstige voorwaarden, al dan niet aangevuld met eigen inkomsten, ouderbijdragen of een aanvullende beurs voor studenten met ouders met lagere inkomens. De toename van het aantal studenten heeft er toe geleid dat thans 42 procent van de Nederlandse beroepsbevolking een hogere opleiding heeft. De feiten uit het verleden spreken Leo Prick dus tegen.

Zal dat bij een sociaal leenstelsel anders zijn? Bij een sociaal leenstelsel gaan studenten de huidige basisbeurs ook lenen. Dat leidt inderdaad tot een hogere studieschuld (bij een vierjarige studie zo’n 4.800 euro voor thuiswonenden en 13.000 euro voor uitwonenden). Wat blijft is een aanvullende beurs voor studenten met ouders met lagere inkomens.

Daar komt bij dat studenten de lening afbetalen tegen een lage rente, en alleen als ze voldoende verdienen. Is dat niet het geval, dan wordt de schuld kwijtgescholden en is het risico voor de staat. Gegeven het feit dat mensen met een hogere opleiding anderhalf tot twee keer zo veel verdienen als anderen, moeten ze de bijkomende schuld redelijkerwijs kunnen dragen.

Ervaringen in andere landen en Nederlandse onderzoeken laten zien dat er geen noemenswaardige structurele veranderingen in studiegedrag zullen optreden. Alle leerlingen die nu op het voortgezet onderwijs zitten, geven aan dat ze toch zullen gaan studeren. Kortom, ook de verwachtingen spreken Prick tegen.

De enige feiten die hem zorgen zouden kunnen baren, zijn die over een beperkte groep mbo’ers die aangeeft met een leenstelsel betaald werk te verkiezen boven studeren. Maar je kunt je afvragen hoe erg het is als zij kiezen voor werk in plaats van studie.

Immers, zij hebben een afgeronde vakopleiding waarmee ze goed aan de slag kunnen (de werkloosheid onder mbo’ers is lager dan die onder hbo’ers), ze zijn vaak sterk praktijkgericht waardoor werken ook aantrekkelijk is.

Daar komt nog eens bij dat het aantal uitvallers in het eerste jaar hoger onderwijs gigantisch is, met name onder mbo’ers. Alleen al in het eerste jaar verlaten 14.000 studenten definitief het hoger beroepsonderwijs. Het als zelfstandig doel formuleren van zo veel mogelijk hoogopgeleiden, zoals Prick doet, leidt juist tot gedesillusioneerde uitvallers.

Natuurlijk, iedereen die wil en kan, moet verder kunnen leren. Maar dat kan nog steeds met een leenstelsel. Wat vooral nodig is, voor alle aankomend studenten, is een betere en soms flexibele overgang van voortgezet of middelbaar beroepsonderwijs naar hoger onderwijs, een groter bewustzijn over wat studeren inhoudt en en in veel gevallen een beter voorbereide studiekeuze.

Wat mij stoort aan Prick is dat hij scherpe kritiek levert op elk gebruik van het profijtbeginsel omdat het gelijke kansen zou beperken, maar helemaal niet in de gaten heeft hoe ver de kansen zich al ontwikkeld hebben. Wie vandaag de dag op een hbo komt zal zien dat dit, zeker in de grote steden, laboratoria van sociale emancipatie zijn. Kijk naar allochtone meisjes die daar met veel inzet en passie werken aan hun eigen intellectuele en economische zelfstandigheid.

In het onderwijs van die groep studenten zal de overheid net als nu blijven investeren, ruim 6.000 euro per jaar per student. En inderdaad, dan vragen we ook wat van de student zelf. Omdat studeren zowel een investering in jezelf als in de samenleving is. Niet alleen nu, maar ook in de toekomst. En daarom ploegen we de middelen die vrijkomen met een sociaal leenstelsel weer terug in verbetering van kwaliteit van hoger onderwijs.

Van de 7 miljard die we uitgeven aan hoger onderwijs, besteden we nu 4 miljard aan onderwijs en 3 miljard aan studiefinanciering. Met een sociaal leenstelsel bewerkstelligen we een verschuiving van investeren in levensonderhoud naar investeren in goed onderwijs. Daardoor kan niet alleen de huidige generatie, maar ook de toekomstige generatie profiteren van een toegankelijk, kwalitatief hoog en sociaal onderwijs stelsel.