Wilhelmina’s zorgen over agitatie en propaganda

Koningin vroeg minister naar bevoegdheden, blijkt uit geopenbaarde stukken Nationaal Archief.

Luxemburg neemt „krachtige maatregelen”. Wilhelmina wilde weten wat Nederland deed. Pagina uit het Algemeen Handelsblad

Wat doet een koningin die met vragen zit nadat ze een artikel in de krant heeft gelezen? Die verzoekt gewoon een minister om opheldering. Tenminste, zo deed koningin Wilhelmina het. Dat blijkt uit stukken die sinds gisteren zijn in te zien in het Nationaal Archief in Den Haag.

Zoals traditie is, gaf het Nationaal Archief op de eerste werkdag van het jaar weer honderden meters archivalia aan de openbaarheid prijs. Die werden om verschillende redenen – staatsveiligheid, privacy van de betrokkenen – achter slot en grendel gehouden. Ze waren alleen in te zien door onderzoekers als zij een met redenen omkleed verzoek indienden. Nu kan elke Nederlander ze bekijken in de studiezaal van het archief.

Stukken uit het geheim archief van het Kabinet der Koningin komen na 75 jaar vrij. Dit jaar is het dus de beurt aan de papieren uit 1938. Daaruit wordt iets duidelijk over de leesgewoonten en interesses van koningin Wilhelmina.

Eind mei van dat jaar las ze in het Algemeen Handelsblad (een voorloper van deze krant) een artikel over maatregelen die de Luxemburgse regering wilde nemen tegen „buitenlandse spionage en agitatie”. Wat waren eigenlijk de bevoegdheden van de Nederlandse regering op dit gebied, en moesten die, gezien de internationale spanningen, niet worden aangescherpt, vroeg de vorstin zich af.

Minister van Justitie Carel Goseling (van de katholieke CDA-voorloper RKSP) kreeg de taak de vragen van Wilhelmina te beantwoorden. Hij nam er de tijd voor. Pas vijf maanden later, op 21 oktober, kwam zijn brief binnen bij het Kabinet der Koningin. De Nederlandse wet bleek strenger voor spionnen dan de Luxemburgse, schreef hij. Zo kende Nederland een hogere maximumgevangenisstraf voor het ten behoeve van een inlichtingendienst ontvoeren en over de grens smokkelen van een persoon. Die bedroeg hier te lande twaalf jaar. Dat was geheel terecht, aldus Goseling, „gezien het afschuwelijke karakter van het delict”.

De minister concludeerde dat aan het Luxemburgse wetsontwerp weinig kon worden ontleend. Maar, stelde hij de koningin gerust: „Dat wil intusschen geenszins zeggen, dat dit zeer belangrijke probleem niet de volledige aandacht van het kabinet zou hebben.”

Wilhelmina bleef ook in het onderwerp geïnteresseerd. Op 10 december ontving Goseling opnieuw een verzoek van de koningin, wederom nadat ze een artikel in het Algemeen Handelsblad had gelezen. Ze maakte zich nog steeds druk om personen die de lieve vrede in Nederland in gevaar brachten, al dan niet van buitenlandse nationaliteit. Dit keer ging het om een bericht over een wetsvoorstel in Zwitserland tegen „revolutionaire propaganda”. De koningin wilde weten of de Nederlandse regering wel voldoende bevoegdheden had op dit terrein.

De minister antwoordde nu sneller. Zijn brief plofte tien dagen later op de mat. „Uwer Majesteits Regeering” beschikte reeds over de meeste bevoegdheden uit het Zwitsers voorstel, schreef hij. Maar, aldus Goseling, misschien konden de teugels nog wat verder worden aangehaald. Hij zou onderzoeken of het wenselijk was deze bevoegdheden, „met name ook ten aanzien van Nederlanders” verder uit te breiden.

Naar dat laatste had Wilhelmina kennelijk wel oren. Met potlood schreef ze op de brief: „Bevoegdheden tegenover Nederlanders W.”