Wij zijn niet fout, maar kil

Nederland is niet racistisch, maar pragmatisch. Het woord ‘racisme’ leidt af van de echte problemen waarmee kwetsbare migranten te maken hebben, schrijft Herman Vuijsje.

In 2008 werd in Ravenstein de schutting van een Somalische familie beklad met hakenkruizen. Foto Hollandse Hoogte

Een kwart eeuw geleden constateerde onderzoekster Philomena Essed dat Nederland tot op het bot geïnfecteerd was met ‘alledaags racisme’. Dat was tijdens de hoogtijdagen van politieke correctheid. In 2013 was alledaags racisme terug in het openbaar debat. Krijgt Essed alsnog gelijk?

Eén ding staat vast: uitingen van niet-alledaags, virulent racisme zijn in Nederland uitgesproken schaars. In Duitsland woedt een debat over de vraag of er de afgelopen twintig jaar ruim zestig of meer dan achthonderd racistische moorden hebben plaatsgevonden. Bij ons is het verschijnsel nagenoeg onbekend.

Van minder vérgaande vormen van rassenhaat getuigen vooral Marokkaanse jongeren en andere moslims. Bijna de helft van de West-Europese moslims vindt dat joden niet te vertrouwen zijn, bleek uit recent onderzoek. Orthodoxe joden durven in Amsterdam niet met de tram uit angst voor moeilijkheden. Bij anti-Israël-demonstraties voerden jonge moslims hakenkruizen mee, en spandoeken met ‘zes miljoen was niet genoeg’.

Kijken we naar álle Nederlanders, dan blijkt dat we er juist gunstig uitspringen met onze opvattingen over afkomst en etniciteit. Tel je volwaardig mee als inwoner van een land als je voorouders een andere nationaliteit hadden? Ja, vindt 95 procent van de Nederlanders, het hoogste percentage van 46 Europese landen. Volgens een recent Duits onderzoek denkt bijna tweederde van de Nederlanders positief over moslims, veel meer dan in Frankrijk, Denemarken en Portugal, en tweemaal zo veel als in Duitsland. Bovendien gaat het de goede kant op, constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dit jaar: Nederlanders van niet-westerse herkomst worden in toenemende mate geaccepteerd.

‘Een beetje racistisch’ bestaat niet

Op het eerste gezicht lijken deze cijfers strijdig met een ander feit: de onmiskenbare discriminatie van niet-westerse immigranten op de arbeidsmarkt. Onderzoek bevestigt keer op keer: bij gelijke kwalificaties maakt iemand met een ‘etnische’ naam of geboorteplaats minder kans voor een sollicitatiegesprek te worden uitgenodigd.

Dat racisme daarbij een rol kan spelen, bleek uit de uitgelekte mail over de jongen die bij een Arnhems ICT-bedrijf had aangeklopt: „Is niks. Ten eerste een donker gekleurde (neger).’’ Maar belangrijker is waarschijnlijk een ander soort overweging. In zijn onderzoek Liever Mark dan Mohammed? (2010) concludeerde het SCP dat discriminatie vooral voorkomt bij functies waarbij medewerkers direct contact hebben met klanten.

Deze ‘voorzorgsdiscriminatie’ – de veronderstelling dat klanten niet gediend zijn van minderheidsgroepen – is een internationaal verschijnsel. In landen waar veel racistische vooroordelen bestaan, is die voorzorg in overeenstemming met het commerciële belang van werkgevers. In landen met weinig racisme, zoals Nederland, niet. Ga je daar roepen dat we een racistische natie zijn, dan oogst je datgene dat je wilde bestrijden. Je draagt er dan toe bij dat werkgevers hun klanten verkeerd beoordelen, waardoor voorzorgsdiscriminatie juist wordt aangewakkerd.

Dat verwrongen zelfbeeld van een racistisch Nederland is dit jaar nog eens opgeklopt door nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer. In zijn kenschets van het politieke klimaat in Den Haag gebruikte hij de woorden ‘racistisch’ en ‘discriminatoir’ door elkaar. Hij neigde daarmee naar Amerikaans taalgebruik voor een Nederlandse situatie. Als Amerikanen van racisme spreken, signaleerde Jan Kuitenbrouwer in NRC Handelsblad, doelen ze op ongewenst gedrag. Nederlanders denken echter aan iemands gezindheid: ‘rassenongelijkheid als opvatting. Een zware beschuldiging, gevolgd door een emotioneel escalerend debat.’

In Nederland is de gevoelswaarde die aan ‘racisme’ wordt gehecht absoluut en ‘digitaal’. ‘Een beetje racistisch’ is bijna even onvoorstelbaar als ‘een beetje zwanger’. Het woord is beladen met de zwaarste zonden van onze voorouders de woestijn in gejaagd en het gebruik ervan staat gelijk aan een vervloeking. Daardoor is het ongeschikt voor debat en beleid, die immers betrekking hebben op een ‘analoge’ werkelijkheid.

Wilders: een Hollandse pragmaticus

Het begrip ‘discriminatie’ sluit wel goed aan bij die werkelijkheid. Discriminatie is mensengedrag, meer of minder ernstig, dat kan voortkomen uit allerlei motieven en dat door beleidsmaatregelen kan worden gecorrigeerd. Het verwijst niet naar perfide gedachten, maar naar wettelijk verboden handelingen.

Het lukraak gebruik van de term ‘racisme’ vindt zijn oorsprong in de eerste periode van politieke correctheid, de jaren zeventig en tachtig. Steeds werd toen gewaarschuwd voor ‘herlevend fascisme en racisme’. Achtergrond was de gedachte dat Nederlanders tijdens de oorlog in groten getale bezweken waren voor deze duivelse ideologieën. Dat kon zomaar opnieuw gebeuren.

Het oorlogsgedrag van de doorsnee Nederlander vond zijn grond echter niet in besmetting met nazi-ideeën, maar in een houding van pragmatisme en accommodatie. Alle maatschappelijke en economische sectoren kwamen aan de Duitse eisen tegemoet, uit ordinaire berekening. Het naar internationale maatstaven hoge aantal verraders van joodse onderduikers handelde eveneens uit een ‘pragmatisch’ motief: winstbejag.

In onze dagen krijgt Geert Wilders vaak het etiket ‘racist’ opgeplakt. Zijn voorgenomen samenwerking met het Front National vormt daartoe een nieuwe uitnodiging. Na de Europese verkiezingen van komend jaar schuiven PVV-europarlementariërs waarschijnlijk aan naast de fel antisemitische Jean-Marie le Pen. Is Wilders dus een racist? Nee, hij is ook zo’n Hollandse pragmaticus die uit berekening aanpapt met de duvel en z’n ouwe moer.

Racisme is een geperverteerde vorm van idealisme, van toewijding aan de publieke zaak. Het levert niks op. Misschien is dat wel een van de redenen waarom het in Nederland weinig voorkomt. Maar hoe valt dan de terugkeer van het racismespook in 2013 te verklaren?

Zeker is dat de getalsverhoudingen zijn veranderd: het aandeel niet-westerse immigranten is gestegen, evenals hun sociale status. De hernieuwde fixatie op alledaags racisme is dus een blijk van emancipatie. De relletjescarrousel van het afgelopen jaar duidt ook op aanpassing aan de Nederlandse manieren. Een lawine van verbaal gekissebis, ‘nieren proeven’ en symboolpolitiek – Hollandser kan het niet.

Maar het effect van die relletjes is niet emancipatoir. Schermen met het digitale vloekwoord ‘racisme’ leidt af van de ernstige problemen waarmee migranten te kampen hebben. Vooral de meest kwetsbaren onder hen: gediscrimineerde sollicitanten, maar ook rondzwervende asielzoekers, een uitgewezen doodziek kind, uitgebuite Oost-Europese gastarbeiders, een uitgeprocedeerde Rus die zelfmoord pleegt in de gevangenis.

Deze mensen hebben andere dingen aan het hoofd dan de onderkin van Mart, de bestelling van Goor of de oorringen van Piet. Hun problemen hebben ook weinig te maken met racisme. Ze zijn het gevolg van kil Nederlands pragmatisme. Laten we ons dit jaar daar eens druk over maken.