Wie zei ooit dat de mens goed was

Russische oligarchen overleven door geweld en ook in de Londense City gaat men over lijken. Een keiharde roman, met een dubbelportret, over ‘de hoogmoed van de mateloosheid’ en ‘onze god de dollar.’

Foto thinkstock

Een aantal mensen zit te eten in het duurste restaurant van Parijs. Het zoontje van een Amerikaans echtpaar loopt steeds voor de voeten van de zwarte ober. Die vraagt de jongen of hij weer aan tafel wil gaan zitten. Woedend staat zijn vader op en slaat de ober tegen de vloer. Het bloed stroomt uit zijn gebroken neus. Niemand reageert.

Het is de openingsscène van Het lot van Sila, de vierde en meermalen bekroonde roman van de Franse schrijver en docent Fabrice Humbert. Een cruciaal moment in het leven van de aanwezige gasten. Er scheurt iets in een huwelijk, er gaat iets stuk in een vriendschap, er breekt meer dan alleen een neus. Jaren later krijgt de ober, Sila, opnieuw te maken met de gewelddadige Amerikaan. Dan komt hij er niet met een gebroken neus vanaf. In de tussenliggende jaren raakt het leven van alle mensen die daar zo prettig een vorkje zitten te prikken, geheel ontwricht.

Dat haar man geen vinger uitsteekt om de ober te hulp te schieten, is voor de Russische Jelena definitief het teken dat er van de bevlogen hoogleraar die ze trouwde geen spoor meer over is. Zelf doceert ze literatuur aan de universiteit; ze heeft – het is geen toevallige verwijzing – net een uitnodiging ontvangen voor een colloquium over ‘Geluk en ongeluk van het balzaciaanse personage in de Europese literatuur’.

Wat Jelena in een jaar verdient, verdient haar man in een paar uur. Een puissant rijke oligarch is hij geworden. Hij hielp Jeltsin in het zadel en sleepte er een flink deel van de poet uit. Ooit was hij een idealistische wetenschapper, nu is hij een plunderende dief, een van de criminelen die Rusland uitzuigen. Zijn paleis is een fort, voor zijn veiligheid is hij afhankelijk van een eigen politiemacht. Overleven kan alleen nog door geweld. ‘Geld stelen en uitgeven’, dat is wat hij doet, ‘met miljoenen, met miljarden’. Ook die laatste grens gaat de Rus over. Marteling, moord. Zelfs zijn ziel geeft hij prijs. Op het moment dat hij de cruciale vraag stelt – ‘waar doe ik het allemaal voor? – is het al te laat.

De keiharde wereld die Humbert van de Russische krijgsheren geeft is vele malen grimmiger en gewelddadiger dan die van Emmanuel Carrère in Limonov. Bij hem geen dichtende verleiders van het genre ruwe bolster blanke pit.

Humbert maakt een dubbelportret: tegenover de Russische olie-imperia zet hij de Londense City. Aan een ander tafeltje in dat Parijse sterrenrestaurant vieren twee vrienden dat een van hen beiden, Simon, een nieuwe baan heeft. Van onderzoeker in een wiskundelaboratorium betreedt hij de wereld van de financiële traders in Londen. Voortaan hoort hij bij degenen die maar aan één ding denken: hun bonus. Van een ‘goudvis in een kom’, van een bescheiden, onzekere man met een fenomenaal geheugen wordt hij bankier. Van een aardige stuntel wordt hij onderdeel van ‘het rijk van de absurditeit’, een megalomaan universum waar alles draait om hebzucht en geld.

Als een hedendaagse Balzac schetst Humbert een genadeloos portret van degenen die bidden tot ‘onze god de dollar’, van de Russische oligarch tot de Britse trader. Hij laat zien hoe het uit de hand loopt, hoe idealen worden verloochend en hoe, uiteindelijk, de wereld ontspoort in een apotheose van geweld.

Rousseau had het bij het verkeerde eind, suggereert Humbert, toen hij beweerde dat de mens van nature goed is maar door de maatschappij wordt gecorrumpeerd. Neem zo’n Amerikaan die onbeheerst, out of the blue, een ober tegen de vlakte slaat. Oprichter van een kredietbank is hij, een dwingeland die ook de allerarmsten met torenhoge schulden weet op te zadelen met maar één doel: het vullen van zijn eigen zakken.

Wie integer is legt het loodje, de onschuld wordt vermoord. Humbert stoot, net als eerder Michel Houellebecq en Emmanuel Carrère, de mannelijke held van zijn voetstuk. Die held wordt cynisch, hangt zijn engagement aan de wilgen en raakt in de greep van de ‘hoogmoed van de mateloosheid’. Tegelijkertijd keren degenen voor wie hij het allemaal deed zich van hem af. Zijn vrouw vertrekt. Hoe het met zijn kinderen gaat? Hij heeft geen idee.

Aan het andere eind van het spectrum staat de ober, Sila, de man die geboren werd in een ‘stad van duizend rampen’, een Nergensstad, midden in een woestijn. Als ‘voorbeeldige illegaal’, schopt hij het van koksmaatje op een vrachtschip tot sterrenkok in de beste restaurants van New York.

La fortune de Sila luidt de titel in het Frans. De ironie ervan – fortune betekent niet alleen ‘lot’ maar ook ‘fortuin’ – gaat in het Nederlands verloren. Uiteindelijk gaat deze harde roman over een ontluisterende wereld. Niet alleen de integriteit van Sila, de onschuld van Simon, maar ook ons ideaalbeeld van de romanheld wordt aan flarden geschoten.