Wennen aan de macht

‘Stoppen met roken”, zegt Vriend 1, terwijl hij de vijfde sigaret binnen het uur opsteekt. „En jullie?”

Vriend 2 neemt een hap van z’n zoveelste oliebol en zegt met volle mond: „Tien kilo afvallen. Of vijf, dat is ook al iets.”

Het is bijna kwart voor twaalf. Over een dik kwartier zit de officiële speeltijd van 2013 erop, blessuretijd is er niet. We staan al de hele avond te eten en te drinken en op de een of andere manier zijn we nu bij de even vreselijke als onvermijdelijke goede voornemens voor het nieuwe jaar beland. Een vriend gaat proberen om voor het eerst sinds een eeuwigheid een afspraak met de tandarts te maken. Een andere vriend vindt het een mooi jaar om eindelijk zijn scriptie af te ronden. Een vriendin wil dolgraag ukelele leren spelen. Een andere vriendin is van plan om in 2014 zwanger te raken.

„Maar je hebt niet eens een man.”

„Nou en? Alsof jij één grammetje vet gaat verliezen. Je loopt nu al met de kilo’s te marchanderen.”

Bij het woord marchanderen – zo’n typisch scheidsrechterswoord – kijkt mijn rokende vriend naar mij. „En jij?”, vraagt hij.

„Ik doe niet aan goede voornemens.”

Het is waar, nog nooit rond Oud en Nieuw heb ik bedacht wat er het komende jaar anders of beter moet. Toch kan ik voor 2014 wel iets bedenken. Na de winterstop wil ik minder aardig zijn. Als scheidsrechter dus. In de Nederlandse Eredivisie worden er gemiddeld zo’n vier kaarten per wedstrijd gegeven, mijn eigen gemiddelde ligt ver onder de één. In meer dan de helft van mijn wedstrijden hield ik de kaarten zelfs van begin tot eind op zak, terwijl kaartloze wedstrijden in het betaald voetbal een unicum zijn. Zijn de amateurs die ik wekelijks onder mijn hoede heb soms liever dan de profs? Natuurlijk niet, het ligt aan mij. Na een leven lang als voetballer op het veld te hebben gestaan, moet ik wennen aan mijn plotselinge macht. Vanaf dit seizoen mag ík opeens bepalen wat een overtreding is, wanneer iemand buitenspel staat of wanneer er een kaart wordt uitgedeeld. Ik zie eruit als een scheidsrechter, maar in m’n hoofd ben ik nog te veel een voetballer.

„Iemand champagne?” Als ik richting de drank loop, merkt de vriendin met de kinderwens op dat ik mank loop. „Niks bijzonders”, antwoord ik. „Spiertje in m’n kuit verrekt. Met voetbal.”

„Maar jij voetbalt toch niet meer?”, zegt de toekomstige ukelelespeelster.

Vijfentwintig jaar lang schopte ik tegen een bal aan. Een half jaartje nu probeer ik het ding juist níét te raken. Ik weet het wel, ik ben tegenwoordig de scheids, maar als iemand me vraagt wat ik in het weekend ga doen of gedaan heb, noem ik het nog steevast „voetballen”.

Minder aardig zijn? Mijn echte voornemen voor het nieuwe jaar is scheidsrechter worden.