Vriendschap

Verbroken vriendschap – altijd een interessant thema voor de literatuur. Door een toeval las ik er in mijn kerstvakantie twee mooie boeken over: Machines en emoties, de briefwisseling tussen Willem Frederik Hermans, Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy, en De smaak van ijzer, een korte roman van debutant Elisabeth van Nimwegen. Drie gereputeerde schrijvers naast een nieuweling, een wat ouder boek (uit 2009) naast een pas uitgekomen boek.

Het eerste boek is non-fictie, het tweede fictie, maar ze laten je beide achter met hetzelfde gevoel van spijt over de mislukking van een zielsverwantschap. Had het niet voorkomen kunnen worden, hebben de betrokkenen daarvoor voldoende hun best gedaan? Onvermijdelijke vragen, die nog niet bij me opkwamen toen ik Machines en emoties destijds alleen fragmentarisch had gelezen. Na integrale lezing kom je niet om zulke vragen heen.

Hermans en Kousbroek hadden met elkaar meer gemeen dan met enige andere schrijver die ze in hun verdere leven ontmoetten. Ze deelden een grote liefde voor literatuur, filosofie en techniek. Hun brieven, beginnend in 1955, wemelden van complimentjes (al is Kousbroek daar royaler mee dan Hermans) en hartelijke uitnodigingen.

Algemeen wordt hun onenigheid over de Weinreb-kwestie als de oorzaak van hun breuk beschouwd. Die zaak gaf ontegenzeglijk de doorslag, maar bij zorgvuldige lezing zie je dat ‘Weinreb’ moet worden opgeteld bij het oude zeer dat Hermans maar niet kon loslaten.

Kousbroek had ooit beweerd dat Hermans hem schriftelijk verzocht had hem niet aan te vallen. Hermans blijkt zo’n brief nooit geschreven te hebben. Kousbroek erkent dat ook tegenover Hermans, hij vermoedt het slachtoffer te zijn geworden van een fakebrief van de schrijver Marja.

Hermans blijft, vaak terloops, op deze kwestie terugkomen, ook in de jaren dat ze nog grote vrienden zijn. In 1971, als de breuk al onvermijdelijk is, begint Hermans er in een van zijn laatste brieven weer over: „Weet je nog? In 1955? (…) Die brief die een falsificatie bleek te zijn? Wat je nooit in het openbaar hebt toegegeven?”

Hermans kon niet vergeven, wrok was voor hem een gerecht dat nooit bedierf.

Elisabeth van Nimwegen (1976) laat in De smaak van ijzer indringend zien hoe jaloezie een vriendschap kan splijten. Blijkens het omslag is zij zelf in 2001 als actrice afgestudeerd aan de Toneelacademie Maastricht. Haar boek geeft een onthullend inkijkje in een nogal sektarisch aandoend wereldje van beginnende acteurs en dominante docenten. „‘Stop!’ brult Fabrie. ‘je moet niet spelen vanuit je hoofd, maar vanuit je kut! Je doet een braaf, beschaafd vormpje. Deze scène is een ravijn, jullie lopen samen over een koord dat over dat ravijn is gespannen. Zodra er iets van spanning wegvalt tussen jullie, vallen jullie naar beneden. Kom op. Nog een keer.’ Spelen vanuit mijn kut, wat stelt hij zich daarbij voor?”

Samen met haar Vlaamse vriendin Fanny probeert Marie, de ik-figuur uit het boek, zich staande te houden, maar de prijs is hoog. De vriendschap blijkt niet bestand tegen de ambities. Van Nimwegen beschrijft de teloorgang met psychologisch inzicht en stilistisch vakmanschap. Er zit veel ontzetting en hysterie in haar boek, maar de schrijfster blijft er nuchter onder, zij leidt ons feilloos naar het treurige slot.

De smaak van ijzer is wat je noemt een dun boekje. Maar dik kan ook in de literatuur veel ongezonder zijn.