NSA-gegluur leidt tot zelfcensuur

Amerikaanse schrijvers voelen zich bespied door de NSA. Dave Eggers waarschuwt voor een intellectuele ijstijd.

Illustratie Paresh Nath

De meeste burgers zouden er bezwaar tegen hebben als de overheid hun huis zou doorzoeken zonder huiszoekingsbevel. Als je zou horen dat, terwijl jij op je werk bent, de overheid zonder reden door je spullen spit, voel je je daar wellicht ongemakkelijk bij. Misschien zou je het zelfs een overtreding van jouw rechten vinden, en bovendien van de grondwet.

Maar wat als de overheid dan zou zeggen: „Ten eerste doorzoeken we ieders huis, dus wordt er niemand uitgepikt. Ten tweede: we linken je adres niet aan je naam, dus maak je geen zorgen. We doorzoeken gewoon ieder huis, iedere dag, zonder uitzondering, en als we iets noemenswaardigs vinden laten we het weten. Trek ’t je niet aan.”

Ja, het is vreemd om in de Verenigde Staten te wonen in het NSA-tijdperk. Niet alleen omdat de verzamelmethodes van de National Security Agency schijnbaar grenzeloos en steeds dieper doordringen, maar omdat de meeste Amerikanen het zich inderdaad niet aantrekken. Na de Snowden-onthullingen was er wel wat opwinding, en een zooitje aanklachten van burgerrechtenorganisaties. Maar de meeste peilingen tonen dat 50 procent van de Amerikanen – onder wie schokkend veel Democraten – de binnenlandse spionage van de NSA min of meer aanvaardbaar vindt. De gematigden wringen zich in pretzelachtige bochten om de NSA-verzamelwoede te verdedigen.

Om het effect van de NSA op vrije meningsuiting te verhelderen verrichte het schrijversgilde PEN American Center onlangs onderzoek naar de gevoelens van zijn Amerikaanse leden over het grote bereik van de NSA. Het rapport, getiteld Chilling Effects, toont dat 88 procent van de ondervraagde schrijvers moeite heeft met het onderzoeksprogramma van de NSA en dat 24 procent van de schrijvers sindsdien bepaalde onderwerpen vermeden heeft in e-mails en telefoongesprekken. Het meest verontrustende: 16 procent van de ondervraagden zei dat ze een project terzijde hebben geschoven, vanwege de gevoeligheid ervan.

Dat is op vele niveaus zorgelijk. Ten eerste is het verbijsterend dat een schrijver een onderwerp zo gemakkelijk terzijde schuift – dat een schrijver zich zo gemakkelijk laat intimideren en onderdrukken. Tot op heden is er immers nog geen schrijver in de gevangenis beland dankzij de NSA-gegevens. En hoewel er vast een zwarte lijst zal zijn, is nog geen enkel PEN-lid ondervraagd naar aanleiding van telefoongesprekken, zoekopdrachten of online bezigheden. Maar het leven onder een wolkendek van argwaan en het gevoel dat het niet de vraag is óf maar wel wanneer bepaalde informatie tegen je gebruikt zal worden, gaat in tegen het idee van vrije meningsuiting in onze democratie.

De petitie Writers Against Mass Surveillance, wereldwijd al ondertekend door 562 schrijvers, is een essentiële stap op weg naar een internationale digitale grondwet. Maar totdat er zoiets is zullen honderden miljoenen mensen, onder wie schrijvers, leven in de veronderstelling dat alles wat ze digitaal of telefonisch doen ooit tegen hen gebruikt kan worden.

‘Het werk van een schrijver is problemen zoeken.” Dat zei een personage in The Front, een film uit 1976 over de tijd van de anticommunistische heksenjacht van senator McCarthy. Woody Allen speelt in de film bookmaker Howard Prince, die door een bevriende, gechanteerde scenarioschrijver gevraagd wordt om samen met hem een front te vormen: Prince zou zijn naam onder scenario’s zetten van schrijvers die van communistische sympathieën worden verdacht. Prince stemt toe en trekt daardoor de aandacht van de autoriteiten.

De parallellen tussen die tijd en het heden zijn talrijk – de algemene sfeer van verdachtmaking, het sinistere gevoel bespied te worden, zonder te weten wanneer precies. De scenarioschrijver van The Front, Walter Bernstein, was zelf slachtoffer van chantage. Zijn telefoon werd afgetapt, de FBI schaduwde hem, zijn vrienden werden lastiggevallen en zijn paspoortaanvraag werd afgewezen.

Ik belde met Bernstein, die nu 94 is en nog steeds schrijft, en ik vroeg hem of hij dacht dat ons tijdperk van binnenlandse spionage even gevaarlijk is als dat het in zijn tijd was. „Op een bepaalde manier is het nu erger”, zei hij. „Het toezicht betreft nu iedereen. En het wordt nog erger. De misdaden die gepleegd worden in naam van nationale veiligheid zijn zeer groot, en er bestaat geen antwoord op.”

Het is onwaarschijnlijk dat je te weten komt wat de NSA over je heeft verzameld. „Ik vermoed dat je geen kans maakt”, zegt Rachel Levinson-Waldman, advocaat bij de rechtenfaculteit van de New York University. Ze wees me op iets interessants aan het PEN-onderzoek. Als schrijvers aannemen dat ze bekeken worden, „kunnen ze hele onderzoeksgebieden links laten liggen. Ze kunnen zeggen: het is het me niet waard dat de overheid me gaat volgen. Moeilijke onderwerpen zouden alleen nog aangepakt worden door degenen die zich onaantastbaar wanen”.

Denk eens aan alle berichten die je ooit verstuurd hebt. Al je telefoongesprekken en alle zoekopdrachten die je hebt uitgevoerd. Zou één ervan verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden? Zou één ervan tegen je gebruikt kunnen worden door de volgende McCarthy? Dit is het meest kwaadaardige en verwoestende aspect van de huidige situatie. Niemand weet zeker wat er verzameld, opgenomen, geanalyseerd en opgeslagen wordt – en wat er in de toekomst mee zal gebeuren.

Een paar jaar geleden schreef de Californische hoogleraar John Villasenor een angstaanjagende studie waarin hij uitlegde hoe gemakkelijk het is voor een overheid om de volledige inhoud van alle telefoongesprekken in een land op te nemen en op te slaan. De technologie is klaar voor gebruik en de opslagkosten zijn zo laag dat een land als Syrië alle telefoongesprekken van alle burgers jaarlijks voor minder dan 700.000 euro kan opslaan, ofwel zo’n 6 cent per persoon. De stap van het verzamelen van alle metadata naar het verzamelen van alle gesprekken zelf is geen stap.

Het PEN-onderzoek is niet de belangrijkste barometer van burgerlijke gedachten, maar als schrijvers hun gedrag aanpassen, dan doen vele miljoenen mensen dat. „Burgers moeten in een democratie privacy hebben, en daar zelf de macht over hebben”, zegt Levinson-Waldman. „Zonder de zekerheid van privacy is het onmogelijk om met volle overtuiging een andere mening te verdedigen dan de overheid. Dat is cruciaal in onze samenleving.” Een natie vol individuen die ervoor kiezen om bepaalde telefoongesprekken niet te voeren of bepaalde e-mails niet te versturen, voelt niet alleen een chilling effect. In die natie dreigt een permanente intellectuele ijstijd.

Walter Bernstein, die McCarthy overleefde en wiens vroegere vrienden liever de straat overstaken dan met hem gezien werden, is nu banger dan ooit. Ik vroeg hem om advies voor schrijvers, en voor ons allemaal. Het enige is weerstand bieden, zei hij. „Weerstand. Weerstand. Weerstand.”