Nomade zijn? Alleen leuk in de zomer

Boeddhistische kloosters zijn van oudsher de hoeksteen van de Tibetaanse samenleving. Ze zijn aan flink wat veranderingen onderhevig – zoals heel Tibet, dat steeds verder uitdroogt en verstedelijkt.

Kumbum klooster in Qinghai

Op een dag liep de Nederlandse fotografe Marieke ten Wolde over de Chinese markt in de Tibetaanse hoofdstad Lhasa, toen haar aandacht werd getrokken door een vreemd schouwspel. Een groep Tibetaanse monniken was er luidruchtig aan het onderhandelen met een paar Han-Chinese visventers over de prijs van een hoeveelheid vis, die nog spartelde in teilen met water. Boeddhistische monniken? Die zijn toch strikt vegetarisch, dacht Ten Wolde. En waarom proberen ze in één keer al deze vis te kopen? Na een tijdje begon het haar te dagen: de monniken bereidden zich niet voor op een of ander feestmaal maar waren op een reddingsmissie.

Deels met financiële steun van voorbijgangers kochten ze alle vis op. Vervolgens stapten ze in een taxi, de vis verpakt in zakken met water en wat zuurstof, en reden naar de naburige rivier. Daar gooiden ze de vis terug in het water. Dat die een eindje stroomafwaarts misschien opnieuw gevangen zou worden en weer op de markt zou belanden, ontmoedigde hen niet. En ook het vooruitzicht dat ze dezelfde vis misschien nog vele malen zouden moeten redden, deerde hen niet. Zo’n periodieke visbevrijdingsactie past heel goed in de cyclische levensopvatting van de boeddhisten.

Met deze treffende metafoor van de confrontatie tussen oud en nieuw in Tibet opent fotografe Marieke ten Wolde haar fraai uitgevoerde fotoboek, dat ze als ondertitel meegaf Progress and impermanence in modern-day Tibet. Het berust op bezoeken die ze de afgelopen tien jaar aan Tibet heeft gebracht. Ze zorgde ervoor alle seizoenen ten minste één keer te hebben meegemaakt. Naarmate de jaren vorderden werd het wel steeds lastiger, omdat de Chinese autoriteiten steeds meer gebieden afsloten voor buitenlanders. Ze wilden niet dat die de protestuitingen zagen van Tibetanen tegen de onderdrukking door de Chinezen.

Website

Na haar eerste bezoeken besloot ze zich te richten op het adembenemend snelle veranderingsproces in Tibet. Het leidde tot bijzondere foto’s, die afgelopen zomer al de aandacht trokken van de Chinese editie van de website van The New York Times. Ten Wolde zelf had er soms moeite mee om plaatsen te herkennen, waar ze eerder was geweest. Zo snel veranderen de dingen.

Jammer is dat er uitgerekend van de mooie visscène met de monniken weinig beelden zijn opgenomen in haar boek, maar dat manco wordt ruimschoots gecompenseerd door andere foto’s. Indrukwekkend zijn bijvoorbeeld de opnames van nomaden, in hun eenvoudige tenten in het grootse Tibetaanse landschap. Of die van kleurige gebedsvlaggen in een verder desolaat sneeuwlandschap. Mooi ook treft ze de vaak maar spaarzaam verlichte vertrekjes, waar de Tibetanen, dicht op elkaar, bescherming zoeken tegen de vaak barre weersomstandigheden.

Veel aandacht gaat terecht uit naar de boeddhistische kloosters, van oudsher een hoeksteen van de Tibetaanse samenleving. Ook die zijn niet immuun voor veranderingen. Tot woede van veel Tibetanen sluit de overheid ze soms of verkleint ze drastisch de omvang van populaire kloosters.

Psychiaters

De Han-Chinese bevolking, ook veelal boeddhistisch, staat vaak minder vijandig tegenover de lama’s dan de Chinese staat. Ze ziet het Tibetaanse boeddhisme als zuiverder dan de eigen variant. Veel Chinezen met persoonlijke problemen kloppen aan voor advies. ‘Soms is het bijna alsof de monniken de psychiaters zijn van de moderne, drukke Chinese middenklasse’, schrijft Ten Wolde in een van haar begeleidende teksten. Zo komt er vaak geld in het laatje en kunnen nieuwe kloostergebouwen worden gefinancierd. Intrigerend is de foto van monniken die op een binnenplaats voor een klooster in aanbouw geconcentreerd bezig zijn met een oeroude ceremonie, met op de voorgrond het stuur en de spiegel van een eigentijdse motorfiets.

De modernisering komt naar Tibet in vele gedaantes. Zo heeft de regering een reeks grote stuwdammen laten bouwen, vooral voor stroom in Chinese steden. De lokale boeren en nomaden werden verplaatst naar woningen in nieuwe ‘modeldorpen’. De Chinese autoriteiten proberen de oude nomaden een sedentaire levenswijze op te dringen. Dat leidt tot ontroerende beelden. Zo maakte Ten Wolde een foto van een moderne woonkamer, waarin een motorfiets is geparkeerd. De bewoners, tot voor kort nomaden, zitten blijkens het bijschrift in een tent buiten bij een vuurtje dat gaande wordt gehouden met gedroogde mest van yaks, hun runderen.

Ondanks propaganda van de regering over ‘een halve eeuw ecologische verbetering en milieubescherming’ verslechtert de toestand snel, ook door vervuilende mijnbouw op veel plaatsen. In vijftig jaar tijd is de hoeveelheid bos gehalveerd en grazige weiden voor de yaks zijn inmiddels stoffige vlaktes. Omdat er voor yaks minder is te halen, slinken de kuddes zienderogen.

Jonge nomaden kiezen voor een bestaan in de stad. Ten Wolde citeert een zekere Jigme, die in een tent opgroeide. ‘ Het is leuk voor een paar weken in de zomer , maar dan ga ik terug naar de stad.’ Niet alle Tibetanen zijn afkerig van de modernisering die de Chinezen brachten.