Nijmeegse titaantjes zijn wars van enige ‘aksie’

Frans Kusters en Thomas Verbogt waren vanaf hun studententijd in Nijmegen innig bevriend. Samen lopen ze rond in ‘een kleine wereld in een grote wereld’ op zoek naar ‘Het Ware Werk’.

Thomas Verbogt op zijn balkon in Amsterdam Foto Katrijn Van Giel

In zijn vorige roman Kleur van geluk (2013) liet Thomas Verbogt hoofdpersoon Daniël rouwen om een overleden vriend. In één klap voelde hij zich een stuk ouder. Niet meer gewoon zestig, maar ‘enorm zestig’. Voor die vriend, weten we nu, stond de schrijver Frans Kusters (1949-2012) model. Ze leerden elkaar kennen in Nijmegen, in hun studententijd, en zouden ruim veertig jaar lang bevriend blijven.

Beide schrijvers komen aan bod in Het eerste licht boven de stad. In het eerste deel haalt Verbogt herinneringen op aan Kusters en aan het literaire leven in Nijmegen: ‘een kleine wereld in een grote wereld’. Daarna volgt er een bloemlezing uit de verhalen van Kusters, uitgekozen door Verbogt. Ze hebben bijna allemaal betrekking op Nijmeegse mensen en situaties.

Uit het boek rijst het beeld op van een innige en onbaatzuchtige schrijversvriendschap die altijd draaide om wat Verbogt ‘Het Ware Werk’ noemt. Ze legden elkaar hun verhalen voor, zonder er al te veel kritiek op te krijgen of te verwachten. Ze woonden elkaars boekpresentaties bij zonder een spoor van jaloezie. Kusters hield niet van toneel, dat hij maar ‘aanstellerij’ vond, maar las zonder morren alle dertig toneelstukken van Verbogt en woonde ook de premières braaf bij.

Er veranderde in ruim veertig jaar niet echt veel. ‘Wij bleven de jongens die elkaar in de vroege zomer van 1971 leerden kennen’, schrijft Verbogt. De toon van zijn herinneringen is steevast mild, op het vaderlijke af. De sleutelwoorden: zachtaardig, veilig, geborgen. De jongens waren er voor elkaar en zouden elkaar, op een piepklein incidentje na, nooit teleurstellen. Een ideale vriendschap, kortom.

Voor de buitenstaander is de vanzelfsprekende, zoete toon van de herinneringen dan weer iets minder ideaal. Verbogt schrijft zinnen zonder weerhaken, die de aandacht maar moeilijk weten vast te houden. De zelfverklaarde jeugdigheid (‘we waren zo jong en werden niet ouder’) past ook niet helemaal bij zijn bedaagde toon. Ook de verhalen van Kusters, vaak net iets te kort en te weinig uitgewerkt, over mensen met jeugdtrauma’s, moeizame relaties, vliegangst en andere fobieën, hebben niets jongensachtigs. Vooral de verhalen uit zijn begintijd klinken ronduit ouderwets. Iemand zakt hier niet gewoon voor de tweede keer voor zijn eindexamen, maar is ‘voor de tweede keer in successie te licht bevonden voor het einddiploma van de middelbare school.’ Dat soort gedateerde omslachtigheid. Als een andere verhaalfiguur in de auto een fatale hartaanval krijgt, dan gaat dat in zulke quasi literaire volzinnen. ‘In de vroege lente liet Jeroen een zakenreis [...] onvoltooid; een verlaten rijksweg en de heuvels van onze zuidelijkste provincie vormden het decor waarin een hartkwaal, tot dan toe slechts voorwerp van zijn spot, even plotseling als definitief triomfeerde.’

Ook voor het overige geven Verbogt en Kusters weinig blijk van jeugdig elan. Ze waren in de jaren zestig en zeventig afkerig van ‘aksiecomitees’ en van studentenprotesten. Liever woonden ze een dienst bij in de studentenkerk. ‘Religie boeide me.’ Het is duidelijk dat we hier niet met gewone jongens te maken hebben, maar met aardige jongens. En ook vroegoude jongens. Ze willen niet ‘capituleren’ voor een burgerlijk bestaan. Deze Nijmeegse titaantjes stellen literatuur en ‘het vervaardigen van dichtwerken’ boven het maatschappelijke leven. Dat is mooi. Maar ze zitten te veel vast in hun eigen kleine wereld om de lezers uit de grote wereld buiten Nijmegen te kunnen boeien.