Bussemaker: bezuinigingen kunstsubsidies einde 41 instellingen

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker. Foto ANP / Martijn Beekman

Van de 173 culturele instellingen die in 2013 geen enkele overheidssubsidie meer kregen zijn er 41 (24 procent) gestopt. Dat blijkt uit een inventarisatie die minister van Cultuur Jet Bussemaker vorige week naar de Eerste Kamer heeft gestuurd. 132 instellingen (76 procent) gaan op eigen kracht, zonder enige overheidssteun, door. De Kamer had de minister in een motie verzocht de gevolgen van de cultuurbezuinigingen voor de sector in kaart te laten brengen.

‘Niet de grootste namen zijn gesneuveld’

In 2012 kregen nog 589 culturele instellingen subsidie van Rijk, fondsen (zoals het Fonds Podiumkunsten), gemeenten en provincies. Dat zijn er nu nog 416. Volgens onze kunstredacteuren Daan van Lent en Claudia Kammer zijn het “niet de grootste namen die gesneuveld zijn”. Onder de 41 gestopte instellingen zijn het Onafhankelijk Toneel, het Geldmuseum, Danshuis Station Zuid, Dansgroep Amsterdam, Productiehuis Brabant, jeugdgezelschap De Citadel, het Theater Instituut Nederland, Erfgoed Nederland, museum De Paviljoens en Danceworks Rotterdam.

Op de culturele sector is in totaal 325 miljoen euro bezuinigd. Onder het kabinet Rutte I werd besloten vanaf 2013 200 miljoen op de rijksuitgaven aan cultuur te bezuinigen, een korting van 20 procent op het cultuurbudget. Daar zijn nog 125 miljoen aan bezuinigingen bij gemeenten en provincies bij gekomen. Bij de aankondiging van de bezuinigingen werd al gewaarschuwd voor een kaalslag.

‘Verschraling in cijfers Bussemaker nog niet zichtbaar’

Volgens Van Lent en Kammer is daar nu nog geen eind aan gekomen:

“Veel van de afvallers leven nu tussen hoop en vrees. Ze konden het afgelopen jaar nog door, omdat hun voorstellings- of tentoonstellingsprogramma nog is gefinancierd uit de subsidies van 2012. Ze trachten nog projectsubsidies te verkrijgen of ze hopen zelf voldoende inkomsten te vergaren, uit kaartverkoop, van sponsors of andere weldoeners. En ze bezuinigen: ze ontslaan het vaste personeel, stootten hun eigen pand of opslagruimte af. Podiumgezelschappen halen oude voorstellingen uit de kast die ze tegen lage kosten nog eens kunnen opvoeren. Nieuw werk wordt niet meer of veel minder gemaakt. Musea en presentatie-instellingen voor hedendaagse beeldende kunst programmeren minder tentoonstellingen. Die verschraling wordt in de cijfers van minister Bussemaker nog niet getoond.”

“Het stof van de bezuinigingen moet nog neerdalen en pas dit jaar en in 2015 zal echt duidelijk worden wie kan overleven. Er komen nog meer klappen onder die 132 instellingen, zo is de verwachting.”

41 ‘slachtoffers’ van kunstbezuinigingen

Het ministerie van Bussemaker verstrekt 125 miljoen euro minder aan grote culturele instellingen zoals de symfonieorkesten, de rijksmusea en de grote dans- en theatergezelschappen. Van die direct door het Rijk gesubsidieerde instellingen zijn er dertien gestopt. Daarbij ging het vooral om productiehuizen, dansgroepen en ondersteunende instituten.

Ook kregen de cultuurfondsen van het ministerie fors lagere budgetten om over - meestal kleinere - culturele instellingen te verdelen. Dat heeft geleid tot veertien slachtoffers die hun activiteiten hebben gestaakt.

De korting van gemeenten en provincies op de culturele subsidies die zij verstrekken, heeft er nog eens toe geleid dat “in ieder geval 14 instellingen de activiteiten beëindigd” hebben, aldus Bussemaker. Het precieze aantal kent het ministerie niet.

Hoeveel minder kunst er wordt gemaakt, heeft Bussemaker niet geïnventariseerd. Bussemaker verbindt voorlopig ook geen conclusies aan de inventarisatie. Ze geeft wel aan de ontwikkelingen van de gevolgen van de bezuinigingen voor de culturele sector “nadrukkelijk” te zullen blijven volgen.

Invloed op toegankelijkheid voor lage inkomens

Bussemaker gaat in haar brief ook in op de invloed van de bezuinigingen op de toegankelijkheid van cultuur voor mensen met een lager inkomen. Volgens haar hebben de bezuinigingen twee mogelijke effecten: dat mensen verder moeten reizen voor het kunstaanbod en dat mensen door de crisis sowieso al minder te besteden hebben.

Volgens Bussemaker gaf 30 procent van de mensen met een lager inkomen in recent onderzoek aan theatervoorstellingen niet te bezoeken vanwege de reisafstand, tegenover ruim 20 procent van de mensen met een hoger inkomen. Volgens haar blijkt echter uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek dat mensen met lage inkomens niet eerder bezuinigen op cultuur. Het aandeel mensen met een lager inkomen dat dit aangeeft is zelfs lager dan de mensen met een hoger inkomen. Hoe hoger het inkomen, hoe meer men zegt vooral op cultuur te gaan bezuinigen. Dat komt overigens ook omdat mensen met een hoger inkomen al meer uitgeven aan cultuur.

Bussemaker zegt wel dat het kabinet “met zijn beleid mensen met lagere inkomens zo veel mogelijk” ontziet, de cultuureducatie wil versterken, en dat ook gemeenten beleid voeren ter bevordering van cultuurparticipatie ter ondersteuning van de laagste inkomensgroepen.