Lyrisch het verleden tegemoet

Wie dacht dat de democratisering van de kunst samenhangt met geschiedschrijving of onderwijs, heeft het mis: de toegankelijkheid ervan is bovenal te danken aan de letterkunde.

Illustratie uit besproken boek

Het heeft me altijd zwaar op de maag gelegen dat ik zoveel beroemde middeleeuwse teksten, zoals het Nibelungenlied of Van den vos Reynaerde, nooit in de oorspronkelijke vorm heb gelezen, maar er alleen kennis van heb genomen via bewerkingen voor ‘Neerlands jeugd’ in de serie Oud Goud.

Marita Mathijsens prachtige nieuwe boek heeft mij van dat schuldgevoel afgeholpen. Met een overvloed aan voorbeelden laat zij zien dat mijn manier van kennismaking met de rijkdommen van de middeleeuwse literatuur onderdeel was van een proces van meer dan twee eeuwen dat zij aanduidt als ‘de democratisering van het verleden.’

Tot diep in de achttiende eeuw was het verleden voor het grootste deel van de bevolking letterlijk een gesloten boek. Archieven bleven op slot, bibliotheken waren slechts toegankelijk voor een bevoorrechte klasse van wetenschappers, de toegang tot schilderijencollecties of klassieke kunst was voorbehouden aan een kleine elite die met mondjesmaat werd toegelaten tot de enorme verzamelingen die koningen en pausen in de loop der eeuwen hadden aangelegd. Alleen in kerken konden de gewone man en vrouw kennis nemen van het verleden, want die waren voor iedereen toegankelijk.

Dat veranderde voorgoed met de Franse Revolutie. Een schitterende passage in het boek is waar de schrijver laat zien dat de beruchte kunstroof onder het bewind van Napoleon eigenlijk niet diende om de Franse schatkist te spekken, maar vooral een poging was om met kunstwerken uit alle delen van Europa in Parijs een Europees museum in te richten dat voor iedereen toegankelijk moest zijn en waarin het hele volk van hoog tot laag kon kennis nemen van de grootsheid van Europa’s verleden.

Engelse nuchterheid

Toen na 1815 de kunstwerken terugkeerden naar hun oorspronkelijke eigenaars, hadden die hun les geleerd: de schilderijen verdwenen niet opnieuw achter slot en grendel maar gingen deel uitmaken van nieuwe laagdrempelige musea, waarin iedereen die wilde toegang kreeg tot de artistieke overblijfselen van het roemrijk verleden van het vaderland. In Nederland staat het Rijksmuseum in Amsterdam aan het einde van die ontwikkeling.

Maar de democratisering ging veel verder. Reizen naar Amsterdam bleef nog lang veel te duur voor het grootste deel van de bevolking. Daar kon iets aan worden gedaan door schilderijen en tekeningen goedkoop te reproduceren, ze op te nemen in geïllustreerde tijdschriften en boeken, wat door nieuwe druktechnieken ook steeds goedkoper werd: het volk hoefde niet naar de kunst te gaan maar de kunst kwam naar het volk. Zo rond 1900 wist heel Nederland niet alleen van het bestaan van Rembrandts Nachtwacht, maar ook waar dat schilderij voor stond.

De prikkelendste these van dit boek is wat mij betreft dat deze democratisering niet zozeer tot stand kwam door het onderwijs of de geschiedschrijving of door musea, maar vooral door de letterkunde. In alle landen van Europa werden rond 1800 vroege, meestal middeleeuwse teksten, aangemerkt als oerteksten, teksten die de volksgeest op de meest bondige wijze uitdrukten.

De Duitse kracht werd het best verwoord in het Nibelungenlied, de Engelse nuchterheid in de Canterbury Tales van Geoffrey Chaucer, de Vlaamse vrijheidszin in Van den vos Reynaerde. Omdat vrijwel niemand deze teksten in hun originele vorm tot zich kon nemen, werden zij op alle mogelijke wijzen bewerkt om ze voor een groter publiek toegankelijk te maken, met als beroemdste bewerking van allemaal Wagners Ring. Met enige spijt concludeert de auteur dat wij zo’n oertekst niet hebben en dat we het moeten doen met Vondels Gijsbrecht, geschreven in de zeventiende eeuw, maar gelukkig wel met een verhaal dat in de Middeleeuwen speelt.

Nymfomane

Naast de bewerkingen van de oerteksten zorgden historische romans van schrijvers als Jacob van Lennep en Truitje Bosboom-Toussaint voor een wijde verspreiding van de belangstelling voor het verleden. Voor mij was nieuw dat in Nederland het historisch kostuumdrama enorm populair was, waardoor ook mensen die niet of niet goed konden lezen, ondergedompeld werden in blijkbaar vaak nogal sensationele bewerkingen van episodes uit de Nederlandse geschiedenis, waarin gravin Jacoba van Beieren werd afgeschilderd als een drankzuchtige nymfomane.

Door het hele boek heen worstelt de auteur met wat ik zou noemen de dubbelheid van de historiezucht van de negentiende eeuw. Zijzelf spreekt van ‘een van de verwarrendste gelijktijdigheden van de late achttiende en negentiende eeuw.’ Enerzijds waren er de verhalen over Leidens ontzet of de lofprijzingen op de moed van Kenau Simonsdochter Hasselaer tijdens het beleg van Haarlem, allemaal verhalen uit het verleden die ertoe dienden de luisteraars op te voeden tot brave burgers en deugdzame vaderlanders.

Anderzijds was er een interesse in het verleden waarin juist het bizarre, het excessieve, en het sublieme de boventoon voerden. Daarin waren de Middeleeuwen niet een tijd waarin dappere helden zich opofferden voor hun volk, maar een tijd waarin wellustige monniken zich in donkere krochten vergrepen aan kuise maagden, of jonge ridders per ongeluk hun zuster huwden, denk aan de ‘Gothic novel’.

Die twee stromingen bestonden tegelijkertijd en naast elkaar, ze zijn ons beter bekend als Verlichting en Romantiek. De auteur probeert daarvan een verklaring te geven, maar ze komt niet veel verder dan wat gestamel over Freud, het ‘Es’ en het ‘Über-ich’. En daarna laat ze beide – gelukkig – rustig naast elkaar staan. Gelukkig, omdat het op het ogenblik in de mode is om de Romantiek weg te moffelen en alleen nog maar over de Verlichting te praten en de zegeningen die zij ons heeft gebracht.

Daar doet Marita Mathijsen niet aan mee. Haar boek is eens temeer een bewijs dat het grootse van de moderne westerse cultuur juist is dat de moderniteit er verschijnt in twee, schijnbaar tegengestelde vormen, enerzijds rationeel, nuchter en bezadigd (classicistisch), anderzijds emotioneel, uitzinnig en extatisch (gotisch). De historiezucht van de negentiende eeuw laat beide kanten van de medaille zien.