Kleurrijke fraudeur in het vastgoed

Nico Vijsma 1937-2014

Nico Vijsma, hoofdrolspeler in de vastgoedfraude, overleed op Nieuwjaarsdag. Het hoger beroep tegen de ‘mental coach’ liep nog.

Nico Vijsma: „Als jullie nou eerlijk zijn, hebben jullie het dan een beetje naar jullie zin gehad?” Foto Rien Zilvold

Ja, hij had het allemaal gedaan. Gefraudeerd als een gek. Miljoenen verdiend, als adviseur bij Bouwfonds. Nico Vijsma vertelde het aan de rechtbank in Haarlem, toen hij zich in 2012 moest melden als verdachte. Hij had het gedaan, omdat zijn neef Jan van V., die toen directeur bij Bouwfonds was, in de jaren ’90 had gevraagd of hij adviseur wilde worden, een soort ‘mental coach’. Zo had hij weer wat te doen. Kon hij de verveling verdrijven.

De in 1937 geboren Hagenees Nico Vijsma was de meeste kleurrijke verdachte in de grootste fraudezaak in de Nederlandse geschiedenis. De zaak draaide om fraude met vastgoed van Bouwfonds en het Philips Pensioenfonds. Via valse facturen liet Van V. zijn werkgever Bouwfonds miljoenen teveel betalen voor projecten aan aannemers en adviseurs. Ze betaalden het geld door aan Van V., die het vervolgens verdeelde onder iedereen die meedeed. Zo had Vijsma ook miljoenen verdiend.

Daarvoor had hij gedaan waarin hij naar eigen zeggen goed was. Mensen adviseren, overtuigen. Bijvoorbeeld die wethouder, die een stuk grond aan zijn neef moest gunnen. Maar hij had ook veel mensen echt geholpen, zei hij in 2011 tegen deze krant. Mensen die bang of gestresst waren.

Hij deed het een keer voor in zijn appartement in Den Haag, grounden. Zette hij twee stoelen tegenover elkaar en ging hij zelf op één ervan zitten. Steek je armen uit. Maak verbinding met het middelpunt van de aarde. Dump nu al je teringzooi in die koker. Pfft. Weg. Laat het los.

Sessies

Zo had hij tientallen mensen geholpen en niet de minsten. Prinses Margarita, de dochter van bouwmiljardair Dik Wessels, diverse managers van Bouwfonds, waar hij als adviseur werkte; allemaal kwamen ze langs voor zogeheten sessies met hem.

Als je hem vroeg of hij er nou zelf ook in geloofde, moest hij grinniken. Dat zeiden zijn twee zoons ook altijd. Dat het hilarisch was. Maar dat maakte toch niets uit? Er werd wat afgehuild hoor, bij zijn sessies. Dus het werkte? „Als je er maar in gelooft”, zei hij met een grijns.

Dit was precies Nico Vijsma. Ontregelen. Theater. Verwarring zaaien. Dat vond hij leuk. Kijken hoe mensen zouden reageren. Anders doen. Waarom altijd maar voldoen aan de verwachtingen van anderen? Waarom ongeschreven regels serieus nemen? Dan ging hij met zijn neef Jan van Vlijmen mee naar een geslaagde projectontwikkelaar voor een zakelijke bespreking. Nam hij een lege koffer mee die hij vervolgens vol bombarie openklapte. Lachen. Daarna snoof hij een lijntje cocaïne in de vensterbank en genoot hij van de verbouwereerde gezichten. Kwamen ze een week later terug voor een vervolgafspraak, streek hij even met zijn vinger over dezelfde vensterbank. „Nou, er mag hier wel eens schoongemaakt worden”, zei hij dan.

Maar hij deed het ook thuis, als zijn vrouw Yvonne kennissen had uitgenodigd. Moest hij zonodig aan het einde van de lijdensweg van thee, koekjes en bijhorend gelul vragen wat de gasten op de terugweg in de auto tegen elkaar zouden zeggen. „Als jullie nou eerlijk zijn, hebben jullie het dan een beetje naar jullie zin gehad?”

Zo zat hij ook als een van de hoofdverdachten voor de rechters in Haarlem. Alsof hij een rol speelde. Twee jaar cel kreeg hij in november 2012 voor zijn rol in de vastgoedfraude, voor onder meer valsheid in geschrifte, verduistering en witwassen. Hij ging in hoger beroep. Dat liep nog, zodat hij zijn straf nog niet hoefde uit te zitten.

Jappenkamp

Achter al dat theater ging een man schuil die getekend was door zijn periode in een Jappenkamp. Het gezin – Joodse moeder, Indische vader – verhuisde in 1938 naar Nederlands-Indië. Vijsma was één jaar oud. Vanwege de jodenvervolging in Europa bleven ze langer dan gepland. Toen de Japanners vervolgens kwamen, belandde het gezin in een Jappenkamp.

Daar moest hij toekijken hoe zijn moeder werd afgeranseld. Hij had geen gevoel meer bij die herinneringen, hoor, zei hij als het ter sprake kwam. Doorvragen had weinig zin. „Feiten zijn feiten.” Hij wist nog precies hoe hij altijd diep moesten buigen als er een Jap langs kwam. „Keirei, riepen ze dan. En iedereen sprong in de houding en boog. Dan had je zoiets als norei en dan moest je weer omhoog komen.”

Vijsma overleefde het kamp. En daarna was hij nooit meer voor iemand in de houding gesprongen, zei hij. Hij zat bij de marine, zwierf de hele wereld over en besloot om voortaan altijd zwarte kleren te dragen. Dat werd zijn uniform. Hij speelde zijn eigen toneelstuk.

Hij werkte jaren bij het advertentiebedrijf van de Dagbladunie, tot zijn neef hem inhuurde als adviseur in het vastgoed. Zo was hij bij Bouwfonds terechtgekomen.

Tegen een celstraf keek hij niet op. Daar zou hij wel doorheen komen. Spijt had hij niet. Hij had er eigenlijk nooit over nagedacht wat hij deed. Naar de dood keek hij wel een beetje uit. Wat zou er komen? Daar was hij nou reuze benieuwd naar.

Want zijn geest, die was prima in orde. Die was 35, nou vooruit, 40 jaar misschien. Maar dat lichaam van hem was op. De ziekte van Sjögren, hersteld van darmkanker. Op. Versleten. Het was volgens hem een soort ruimtepak met isolatiemateriaal dat aan alle kanten met plakband en paperclips bij elkaar werd gehouden.

Dan liever de dood. Zou alles in één keer aan hem voorbijtrekken? Kwam hij in een andere dimensie terecht, zoals hij over de snaartheorie gelezen had? Dat was echt spannend. Hij kon bijna niet wachten.