In een wellustig bad van vrijheid, liefde en kunst

De Belgische hoofdstad was lang het artistieke laboratorium van Europa. Dus wee degene die een verbeten aanval inzet op dit kernstuk van de Europese beschaving

Galerie St. Hubert in Brussel, in 1847 geopend Foto uit besproken boek

‘Nee, Vlamingen en Hollanders die het (in Brussel) in slecht Frans proberen, zijn niet meer bij de tijd. Ze hebben geen enkel excuus. Krijg je te maken me de zeldzame (Nederlands onkundige) scherpslijper die nog niet begrepen heeft dat zijn stad veeltalig is of sterft, dan glimlach je eens meewarig. Een grote vriendelijkheid, ja zelfs achting voor het Nederlands waart door de Brusselse straten’. Wees gewaarschuwd, Nederlandse bezoeker van Brussel. Spreek er geen verhaspeld Frans, maar Nederlands.

Brussel. Wie de hoofdstad van Vlaanderen, van België, van Europa (en tussen 1815 en 1830 samen met Den Haag ook de hoofdstad van de Verenigde Nederlanden) wil kennen, kan al ruim twintig jaar niet zonder het boek Arm Brussel van de Vlaamse schrijver en Brusselse Vlaming Geert van Istendael. De eerste druk van deze ‘klassieker’ verscheen in 1992. We zijn intussen toe aan de zesde, geactualiseerde en herziene druk. Lees je maar één boek over de stad die zo rijk en zo arm is, zo mooi en zo lelijk, zo provinciaal en zo mondiaal, zo bekrompen en zo groots, laat het dan dit boek zijn.

Want Van Istendael is een geweldige gids die zijn lezer meeneemt door de geschiedenis van de stad, met hem door straten en over pleinen dwaalt, langs de vele instellingen die de ingewikkelde hoofdstad telt, met in zijn binnenzak talentellingen, anekdotes, statistieken en historisch-wetenschappelijk onderzoek.

Maar Van Istendael is niet zomaar een erudiete gids, hij is bovenal een gids met een mening. En hij is boos. Boos op hen die de Nederlandstalige wortels van de stad ontkennen. Boos op architecten ‘die in vredestijd het vernietigingswerk uitgevoerd hebben waar de bommengooiers van de Luftwaffe niet aan konden tippen’. Boos op projectontwikkelaars met hun ‘afgestompte breinen’ door wie Brussel ‘al meer dan honderd jaar wordt vernield, verscheurd, opengebroken, besmeurd en verkracht’. Boos ook op het Europa dat ‘een verbeten aanval heeft ingezet op een kernstuk van de Europese beschaving, op de verzorgingsstaat’, kijk maar naar Griekenland en Spanje.

Artistiek Kruitvat

Overigens is de gids niet alleen maar boos. Dat zou vermoeien. Van Istendael is ook dankbaar. Een van de warmste passages uit zijn boek betreft Willem I, de Nederlandse koning tegen wie het zuiden in 1830 in opstand kwam. ‘Eén ding kan ik niet luid genoeg zeggen’, aldus Van Istendael. ‘Willem I heeft de Nederlandse taal in de Zuidelijke Nederlanden en zeker in Brussel van de totale ondergang gered. Zonder Willem had ik dit boek nooit in het Nederlands geschreven, want voor mij als Brusselaar zou Frans de taal zijn geweest. Ik ben u dankbaar, Willem’.

Het meest passionele boek over Brussel is al twee decennia dat van Van Istendael. Het meest indrukwekkende recente boek is De eeuw van Brussel van de Vlaamse journalist en publicist Eric Min. Hij heeft het over de 66 jaar tussen 1850 en 1914 waarin Brussel zijn intellectuele en artistieke hoogtepunt beleefde.

Want kijk eens: hier liet de jonge filosoof Karl Marx zijn ideeën rijpen voor Het Communistisch Manifest, liet Victor Hugo in 1862 zijn Les Misérables verschijnen, bezocht Baudelaire in diezelfde periode de Brusselse hoeren, pleegde de Franse dichter Paul Verlaine een moordaanslag op zijn collega én geliefde Arthur Rimbaud, beviel Eduard Douwes Dekker op een zolderkamertje van zijn Max Havelaar, exposeerde de beeldhouwer Auguste Rodin, bouwde de architect Victor Horta een prachtig (en in de jaren zestig door projectontwikkelaars gesloopt) Volkshuis in art-nouveaustijl, werkte de Amsterdamse Neel Doff zich op van Keetje Tippel en schildersmodel tot rentenierster en schrijfster, woonde en werkte Ensor, zag de literaire beweging Van Nu en Straks het licht, werkte de later door Van Gogh en Schiele zo bewonderde schilder en rokkenjager Félicien Rops. Kunst en cultuur leken er te gedijen in een overweldigend en weIlustig bad van vrijheid en liberalisme, mannenliefde en overspel, prostitutie en ménages à trois.

Eric Min beschrijft dit artistieke kruitvat en laboratorium waar de nieuwe maatschappij vorm kreeg met smaak en liefde, met oog voor detail, maar ook met voldoende afstand en perspectief. Hij schonk Brussel wat de stad verdiende: een biografie van zijn mooiste eeuw.

Die eeuw eindigde exact honderd jaar geleden, toen Duitse laarzen over de kasseien van Brussel dreunden. ‘Daar en dan valt alles stil. De kunstsalons en literaire bladen houden ermee op... De artistieke ruzies verstommen... Wie nog niet dood is zal dra sterven’. Het doek is gevallen.