Hoop gesmoord in een anticlimax

Franca Treur lijkt erop uit om de lezer van haar nieuwe roman De woongroep positie te laten kiezen. Vóór de 28-jarige hoofdpersoon Elenoor, of tegen haar. Je ziet haar als een dommig, niet al te interessant meisje, met hopeloos naïeve verwachtingen van de wereld. Of je herkent haar, als jezelf of iemand van deze tijd, zonder doel of ideaal, met een zielloos baantje als ‘content manager’. Omdat ze toch iets moet doen.

Zet je haar weg als naïef, dan krijg je gaandeweg het gevoel dat de roman jóu wegzet: dan zul je wel zo iemand als Erik zijn, Elenoors intellectuele vriendje met de ambitie om een meesterlijke film te maken over de Tweede Wereldoorlog (maar het wil nog niet zo vlotten). Hij, zo noteert Elenoor, ‘vindt hoop iets voor losers. Mensen kunnen ook nu weer nazi’s worden. Hij gelooft niet dat we leren van de geschiedenis.’ Met zo’n wereldbeeld wil je je ook weer niet vereenzelvigen.

Die clash tussen een optimistisch en een pessimistisch wereldbeeld is interessant aan De woongroep, helemaal een roman van deze (crisis)tijd – van een jonge schrijver, die nog zoekende is. Dus schorten we onze uitgekristalliseerde vooroordelen op: Elenoor, die haar leven bij de lurven grijpt en besluit in een woongroep te gaan wonen omdat daar wereldverbeteraars wonen, is niet naïef. Ze neemt het met een korreltje zout, maar: ‘Het belangrijkste is: ze geven ergens om.’

Zo wordt De woongroep een zoekende roman, naar zin – waarover toch steeds een laagje ironie ligt. Een brainstormsessie (met enige tegenzin) over de volgende kwestie waartegen de groep gaat demonstreren leidt tot een bijeengegoogeld lijstje met dingen als: ‘Laat de walvis leven (dat is wel de broodwinning van heel veel arme Japanse vissers)’, en: ‘Honger de wereld uit (die kan altijd wel)’. Ondertussen maken de woongroepbewoners zich ook nogal druk over hun eigen dingen: de baan bij een gerenommeerde uitgeverij krijgt voorrang, net als een hopeloze affaire met een getrouwde man.

Dat is intrigerend: ze zijn als de principiële vleesminderaar die moet uitleggen waarom hij soms tóch dood dier eet, want hij was toch vegetariër? Wie activistisch is, is dat voor de buitenwacht helemaal óf niet, zwart of wit. Zwart, zo blijkt, want het morele failliet van de woongroep voelt definitief als ze van de recherche moeten vernemen dat Alexander, één van hen, al dagenlang vermist wordt. De politie zoekt hem.

Zo is ook het verhaalverloop in De woongroep zoekende, om niet te zeggen zwalkend. Soms gebeurt er bladzijdenlang weinig interessants, er wordt lang uitgeweid over schijnbaar onbelangrijke personages, dan ineens is er een filmische actievoerdersscène, dan weer gaat het over Elenoors relatieproblemen, dan weer vermoedt ze – en dat wordt wel flink potsierlijk – dat het spookt in het weeshuis. Het thrillerelement van de verdwenen Alexander, dat in het slotdeel de boventoon gaat voeren, brengt wel spanning in de roman, maar haalt hem ook uit balans.

Dat was minder erg geweest als er meer te beleven was aan Treurs stijl, die het boerenland in haar debuut Dorsvloer vol confetti nog glans gaf. Nu zijn de zinnen vooral kleurloos, passend bij Elenoors wat oppervlakkige karakter – functioneel, niet mooi.

Maar de grootste tegenvaller is dat de ambities van Elenoor uiteindelijk toch gefnuikt worden, waardoor Treur haar belofte niet waarmaakt. ‘Ik geef geen antwoorden, ik stel alleen vragen’, hoort Elenoor een schrijver op televisie zeggen, en dat zal niet toevallig zijn. Maar Treur dwingt je om Elenoors naïviteit te delen, op zoek naar een hoopvolle grijstint tussen de zin en onzin van activisme. De hoop daarop smoort ze met een anticlimax.

Huisje-boompje-beestje is ook een leuke levensvervulling, was al de conclusie van het eerste hoofdstuk (toen nog schamper). Tenzij je dat een wijze les vindt, is de roman overbodig.