‘Het moest niet te soft worden’

De hoofdpersoon van Franca Treurs tweede roman is een jonge vrouw, die in de grote stad in een activistische woongroep gaat leven. „Voor wat vroeger de kerk deed, is eigenlijk niets in de plaats gekomen. Ik denk dat mensen dat missen.”

Franca Treur: „Zo’n woongroep is een relikwie uit een andere tijd.” Foto Merlijn Doomernik

Ze heeft Katelijne naar Afrika gestuurd, vertelt Franca Treur tevreden. De hoofdpersoon van Dorsvloer vol confetti heeft in haar tweede roman een bijrolletje: Katelijne is de legendarische voormalige bewoonster van de woongroep waarin een groot deel van het verhaal zich afspeelt. Inmiddels werkt die Katelijne als ontwikkelingswerker in Afrika, maar haar invloed is nog voelbaar. „Dat vond ik wel mooi symbolisch”, zegt Treur.

Dorsvloer vol confetti maakte Treur vier jaar geleden in één klap tot een van de succesvolste schrijvers van Nederland; het boek wordt nu verfilmd. Dus geldt de publicatie van de opvolger als een van de grote uitgeefgebeurtenissen van het jaar – en dat meteen op de derde dag van 2014. De afgelopen maanden brachten literatuursites zelfs het omslagontwerp als nieuws. Voordat de publicitaire storm losbarst, is de 34-jarige Treur een paar dagen in Parijs. „Ik hou van grote steden. Vorig jaar zat ik een maand in Athene, tijdens de protesten – Parijs is gewoon prettig, en met de trein even ver als Zeeland.”

Door de hoofdpersoon van uw vorige boek nadrukkelijk een rol in de marge te geven maakt u duidelijk dat dit een heel ander boek is dan ‘Dorsvloer vol confetti’.

„Toch wel even licht en humoristisch? Dorsvloer vol confetti heeft me veel gebracht, maar het is te vaak als autobiografie gelezen. Ik heb er veel voor uit mijn jeugd in Zeeland geput, maar het gaat niet over mij. Het gaat over Katelijne die ontdekt dat ze in een groot verhaal leeft en dat er nog meer verhalen bestaan.”

De herkenbaarheid van het verhaal heeft wel bijgedragen aan het succes ervan.

„Dat is vast zo geweest en ik heb ook meegedaan aan een tv-programma waarin ik met een camera erbij terugging naar Zeeland. In zekere zin heb ik het dus over mezelf afgeroepen. Dat had ik niet goed voorzien. Mensen waren zo geraakt door de hoofdpersoon, dat ze mij op literaire avonden wilden aanraken. Een vrouw zei in een volle zaal: ‘Ik vind het zo jammer dat je je eerste menstruatie niet hebt beschreven.’ Dat verbijsterde me. Ze zagen niet mij, maar een oudere Katelijne op het podium zitten. Heel fysiek. Daar kreeg ik op den duur wel genoeg van.”

Dus wilde Treur van De woongroep een ander boek maken. Het verhaal speelt af in Amsterdam. De hoofdpersoon is de 28-jarige Elenoor die weinig bevrediging vindt in haar beroepsleven en zo mogelijk nog minder in haar relatie met de in grote lijnen voorbeeldige, maar verre van opwindende Erik, een historicus die al jaren werkt aan de voorbereiding van een grote film over de Holocaust. Elenoor sluit zich aan bij een groep alternatievelingen in een huis in Amsterdam-Oost, waarna door een aantal demonstraties en een verdwijning de spanning steeds verder oploopt. Bovendien heeft het huis een verleden als weeshuis. Ze hoort regelmatig spookachtige geluiden. „Ik was zelf verbaasd dat ik ineens een roman met een plot aan het schrijven was. Ik lees nooit boeken om een plot. Ik weet nooit precies wat ik ga doen als ik begin.”

Heeft u nu alles verzonnen?

„Ik heb zelf ook in een woongroep gewoond, in Nijmegen en ook in het huis in Amsterdam dat ik beschrijf in het boek. Van die kennis heb ik gebruik gemaakt, maar er zitten amper bestaande personen in, of situaties in. Al heb ik een van de leuzen die in het boek voorkomen, ‘G8 slaap zacht’, zelf in Nijmegen ook wel eens ergens met stoepkrijt opgeschreven.”

Stoepkrijt. Dat klinkt niet erg fanatiek. Dat is uw hoofdpersoon Elenoor, trouwens ook niet.

„Ze is vooral op zoek naar vervulling van haar leven. Haar werk kan iedereen doen, ze kan er niets van zichzelf in kwijt. In het eerste hoofdstuk gaat ze met haar vriend op kraambezoek bij vrienden in een rijtjeshuis. Dat is een vervreemdende ervaring voor haar, maar ze begrijpt dat dat ook háár bestemming is. Haar vriend ziet kinderen als een manier om zin aan je leven te geven, zelf twijfelt ze aan het burgerlijke ideaal. Ze wil ergens onmisbaar zijn vóór ze zelf in een rijtjeshuis belandt. Dan meldt ze zich, ook vrij plotseling, bij een activistische woongroep. Ze wil ergens bijhoren, iets doen voor de wereld – al weet ze niet precies wat.”

‘Jij bent helemaal niet links genoeg voor een woongroep’, zegt haar vriend tegen haar. Ze is aanvankelijk vooral druk met het kopen van flatscreens en telefoons.

„Gadgets zijn het symbool van het hedendaags consumentisme. Vroeger was liefde voor electronica iets typisch mannelijks, nu niet meer. In de woongroep blijkt dat de meeste bewoners hun telefoon ook heel belangrijk vinden.”

Wat zoekt ze bij die mensen?

„Saamhorigheid? Een plek? Ze wordt meer gedreven door onvrede dan door idealisme. Een concreet idee over een betere wereld heeft ze niet. Heb je de Wouter-tapes gezien? Wouter Bos werd gevraagd naar zijn idealen en kwam niet verder dan ‘gewoon de dingen een stukje beter maken voor de mensen in het land’. Elenoor is ook in andere opzichten een kind van deze tijd. Ze voorziet websites van content – haar werk is inwisselbaar. Ze werkt als freelancer, wat betekent dat ze voor de belastingdienst drie verschillende opdrachtgevers moet hebben. Dus is er niet één bedrijf waarmee ze zich kan identificeren; ze hoort nergens bij. Dat geldt voor veel mensen. Er is geen bezield verband meer. Vandaar dat mensen zich zo richten op familie.”

Ziet u dat als een probleem?

„Ja. Voor de rol van de kerk en andere instellingen in de verzuilde samenleving, is weinig in de plaats gekomen. Facebookvriendschap en de Apple-familie. Dat is toch karig, en een uitnodiging voor religie en nationalisme. In Athene zag ik letterlijk hoe verdeeld een samenleving raakt als er niet meer ongebreideld geconsumeerd kon worden. Allochtonen achter winkelwagentjes op zoek naar oud-ijzer, regelmatig met een verband om hun hoofd. De politie staat het ultranationalisten toe hen schrik aan te jagen.”

Over de woongroep als bezield verband lijkt u zich weinig illusies te maken.

„Zo’n woongroep is een relikwie uit een andere tijd. Toen er in de jaren zeventig tegen de staatsgreep in Chili werd geprotesteerd, was er een duidelijke vijand: Pinochet. Een dictator. Iedereen kende zijn gezicht. Maar tegen wie of wat moet je nu vechten? Het kapitalisme? De tegenstander blijft abstract en bovendien zit die deels in onszelf. Je ziet mensen die het op willen nemen tegen de allerrijkste één procent, maar tegelijkertijd is Steve Jobs een held.”

De actievoerders in uw boek trekken naar een restaurant om de mannen met de grote bonussen met soep te besmeuren.

„Een beetje ouderwets, maar toch. Het OM vervolgt geen grote jongens, schikt alles. De jongeren uit de woongroep hebben wel een zucht naar actie, zoals vroeger. Alleen hebben ze niet uitgezocht met wie ze nu precies te maken hebben. Elenoor doet mee, voelt zelfs even iets van urgentie, zoals dat een paar keer gebeurt in het boek. Maar steeds wordt haar dat weer uit handen geslagen. Er is één persoon in de woongroep met een bestaan dat vervulling zou moeten geven: de verpleger Alexander. Maar juist hij blijkt uiteindelijk onbetrouwbaar. Eigenlijk is voor mij het bijzondere van zo’n woongroep dat iedereen er welkom is: in de roman zit het huis op een gegeven moment vol met mensen en dieren. Iedereen zoekt een plek op de wereld.”

Uw hoofdpersoon wordt er geen beter mens van: zij staat fietsen in de gracht te gooien.

„Vandalisme leek me de ultieme tegenpool van de wereld verbeteren. Op hetzelfde lullige niveau, maar toch een daad. Ik vond het belangrijk om haar ook verkeerde dingen te laten doen. Ze moest geen passief slachtoffer zijn. Er zijn al zoveel factoren in haar leven die maken dat ze is wie ze is. Iets in haar familie zorgt dat ze zich moeilijk kan binden. Met het grote talent dat ze heeft, tekenen, durft ze niets te doen. Ze lijkt zich er amper van bewust te zijn. Het boek had best een happy end kunnen krijgen door haar via dat talent te laten ontsnappen, maar ik wilde niet de klassieke uitzondering beschrijven. Het gaat me om het algemeen menselijke, het besef van het tragische dat niet tot wanhoop leidt.”

Had u bij dit boek het gevoel dat er veel mensen over uw schouder meekeken? Ik kan me voorstellen dat de uitgever vooral graag iets wilde dat op ‘Dorsvloer vol confetti’ leek.

„Van die kant heb ik helemaal geen druk gevoeld, ze hebben me mijn gang laten gaan. Dat komt ook omdat ik zonder vooropgezet plan schrijf. Pas relatief laat heb ik mensen laten meelezen: dat doe ik pas als ik zelf een beetje tevreden ben over wat ik heb geschreven – zo ijdel ben ik ook wel weer. Over bepaalde zaken hebben we het wel gehad: bijvoorbeeld over het idee om Katelijne vanuit Afrika een bijrol te geven. Veel lezers zijn van haar gaan houden, het kan een teleurstelling zijn dat ze nu de grote afwezige is, al heeft ze nog een sturende rol. Voor Elenoor is zij de grote voorgangster met wie ze steeds wordt vergeleken. En aan wie ze een steeds grotere hekel krijgt.”

Zoals u in de loop der tijd steeds meer genoeg kreeg van uw eerste boek.

„Ik heb ook met Elenoor wel wat gemeen, ik kan me best voorstellen dat ik zo’n soort leven zou leiden.”

Het verschil is dat haar talent niet tot wasdom heeft kunnen komen, ze durft daar niet op te vertrouwen.

„Ik vind haar ook wat bangig. Dat ben ik geloof ik niet.”